12 zegeningen aan 12 broeders;
 Hebreen 11:20 - Door het geloof heeft Izak zijn zonen Jakob en Ezau gezegend aangaande toekomende dingen.
Door het geloof heeft Jakob stervende, een iegelijk der zonen van Jozef gezegend, en heeft aangebeden, leunende op het opperste van zijn staf.
1 Daarna riep Jakob zijn zonen, en hij zeide: Verzamelt u, en ik zal u verkondigen, hetgeen u in de navolgende dagen wedervaren zal.  
Jakob Genesis 49
Debora Richteren 5 Mozes Deuteronomium 33
3 (1-1e zoon) Ruben! gij zijt mijn eerstgeborene, mijn kracht, en het begin mijner macht; de voortreffelijkste in hoogheid, en de voortreffelijkste in sterkte!
4 Snelle afloop als der wateren, gij zult de voortreffelijkste niet zijn! want gij hebt uws vaders leger beklommen; toen hebt gij het geschonden; hij heeft mijn bed beklommen!
15b. In Rubens gedeelten waren de inbeeldingen des harten groot.
16 Waarom bleeft gij zitten tussen de stallingen, om te horen het geblaat der kudden?
De gedeelten van Ruben hadden grote onderzoekingen des harten.
Dat Ruben leve, en niet sterve, en dat zijn lieden van getal zijn!
5  (2-3) Simeon en Levi zijn gebroeders! hun handelingen zijn werktuigen van geweld!
6 Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met hun vergadering!
want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt.
7 Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig; en hun verbolgenheid, want zij is hard!
ik zal hen verdelen onder Jakob,
en zal hen verstrooien onder Israel.
Num 13: geen verspieder uit Levi
uit Ruben, Sammua, zoon van Zaccur.
uit Simeon, Safat, zoon van Hori.
uit Juda, Kaleb, zoon van Jefunne.
uit Issaschar, Jigeal, zoon van Jozef.
uit Efraim, Hosea, zoon van Nun.
uit Benjamin, Palti, zoon van Rafu.
uit Zebulon, Gaddiel, zoon van Sodi.
uit Jozef, uit Manasse, Gaddi, zoon van Susi
uit Dan, Ammiel, zoon van Gemalli.
uit Aser, Sethur, zoon van Michael.
uit Nafthali, Nachbi, zoon van Wofsi.
uit Gad, Guel, zoon van Machi.
die een kwaad gerucht hadden,
stierven door een plaag
8 En van Levi zeide hij: Uw Thummim en Uw Urim zijn aan den man, Uw gunstgenoot; dien Gij verzocht hebt in Massa, met welken Gij getwist hebt aan de wateren van Meriba.
9 Die tot zijn vader en tot zijn moeder zeide: Ik zie hem niet; en die zijn broederen niet kende, en zijn zonen niet achtte; want zij onderhielden Uw woord, en bewaarden Uw verbond.
10 Zij zullen Jakob Uw rechten leren, en Israel Uw wet; zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen, en dat gans verteerd zal worden, op Uw altaar.
11 Zegen, HEERE! zijn vermogen, en laat U het werk zijner handen wel bevallen; versla de lenden dergenen, die tegen hem opstaan en hem haten, dat zij niet weder opstaan!
Jakobs kinderen
8 (4) Juda! gij zijt het, u zullen uw broeders loven; uw hand zal zijn op den nek uwer vijanden; voor u zullen zich uws vaders zonen nederbuigen.
9 Juda is een leeuwenwelp! gij zijt van den roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw,
en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan?
10 De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silokomt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn.
11 Hij bindt zijn jongen ezel aan den wijnstok, en het veulen zijner ezelin aan den edelsten wijnstok; hij wast zijn kleed in den wijn, en zijn mantel in wijndruivenbloed.
12 Hij is roodachtig van ogen door den wijn, en wit van tanden door de melk.
Openb 7: 144.000 waren verzegeld
uit alle geslachten der zonen Israels.
uit Juda waren 12.000 verzegeld
uit Ruben waren 12.000 verzegeld;
uit Gad waren 12.000 verzegeld;
uit Aser waren 12.000 verzegeld;
uit Nafthali waren 12.000 verzegeld;
uit Manasse waren 12.000 verzegeld;
uit Simeon waren 12.000 verzegeld;
uit Levi waren 12.000 verzegeld;
uit Issaschar waren 12.000 verzegeld;
uit Zebulon waren 12.000 verzegeld;
uit Jozef waren 12.000 verzegeld
uit Benjamin waren 12.000 verzegeld.
7 En dit is van Juda, dat hij zeide:
Hoor, HEERE! de stem van Juda! en breng hem weder tot zijn volk; zijn handen moeten hem genoegzaam zijn,
en zijt Gij hem een Hulp tegen zijn vijanden!


Dan en Efra´m niet verzegeld!

 

13 (5-10e zoon) Zebulon zal aan de haven der zeeen wonen, en hij zal aan de haven der schepen wezen;
en zijn zijde zal zijn naar Sidon.
14b en uit Zebulon, trekkende door den staf des schrijvers.
18 Zebulon, het is een volk, dat zijn ziel versmaad heeft ter dood,
18 En van Zebulon zeide hij:
Verheug u, Zebulon! over uw uittocht,
14 (6-9e zoon) Issaschar is een sterk gebeende ezel, nederliggende tussen twee pakken 15 Toen hij de rust zag, dat zij goed was, en het land, dat het lustig was, zo boog hij zijn schouder om te dragen, en was dienende onder cijns. 15 Ook waren de vorsten in Issaschar met Debora; en gelijk Issaschar, alzo was Barak; op zijn voeten werd hij gezonden in het dal. en Issaschar! over uw hutten.
16 (7-5e zoon) Dan zal zijn volk richten, als een der stammen Israels.
17 Dan zal een slang zijn aan den weg,
            een adderslang (gehoornde adder, H8207, 1x)
nevens het pad, bijtende des paards verzenen, dat zijn rijder achterover valle.

18 Op uw zaligheid wacht ik, HEERE!
17b Dan, waarom onthield hij zich in schepen! 22 En van Dan zeide hij:
Dan is een jonge leeuw; hij zal als uit Bazan voortspringen.

Jeremia 8:16: Van Dan af wordt het gesnuif zijner paarden gehoord; het ganse land beeft van het geluid der briesingen zijner sterken; en zij komen daarhenen, dat zij het land opeten en diens volheid, de stad en die daarin wonen. Want ziet, Ik zend slangen, basilisken onder ulieden, tegen dewelke geen bezwering is; die zullen u bijten, spreekt de HEERE.

Joh 6:70
Heb Ik niet u 12 uitverkoren?
en 1 uit u is een duivel.

   uit Dan de antichrist?   

19 Aangaande (8-7e zoon) Gad, een bende zal hem aanvallen; maar hij zal haar aanvallen in het einde. 17 Gilead bleef aan gene zijde van de Jordaan; 20 En van Gad zeide hij: Gezegend zij, die aan Gad ruimte maakt! hij woont als een oude leeuw, en verscheurt den arm, ja ook den schedel.
21 En hij heeft zich van het eerste voorzien, omdat hij aldaar in het deel des wetgevers bedekt was; daarom kwam hij met de hoofden des volks; hij verrichtte de gerechtigheid des HEEREN, en zijn gerichten met Israel.
20 Van (9-8e zoon) Aser zijn brood zal vet zijn; en hij zal koninklijke lekkernijen leveren. Aser zat aan de zeehaven, en bleef in zijn gescheurde plaatsen. 24 En van Aser zeide hij: Aser zij gezegend met zonen; hij zij zijn broederen aangenaam, en dope zijn voet in olie.
25 IJzer en koper zal onder uw schoen zijn; en uw sterkte gelijk uw dagen!
22 (10-6e zoon) Nafthali is een losgelaten hinde; hij geeft schone woorden. 18b insgelijks Nafthali, op de hoogten des velds.
19 De koningen kwamen, zij streden; toen streden de koningen van Kanańn, te Thaanach aan de wateren van Megiddo; zij brachten geen gewin des zilvers daarvan.
20 Van den hemel streden zij, de sterren uit haar loopplaatsen streden tegen Sisera.
23 En van Nafthali zeide hij: O Nafthali!
wees verzadigd van de goedgunstigheid,
en vol van den zegen des HEEREN;
bezit erfelijk het westen en het zuiden.

22 (11) Jozef is een vruchtbare tak zoon, een vruchtbare tak zoon aan een fontein; elk der takken dochters loopt over den muur.
23 De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat;
24 Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen zijner handen zijn gesterkt geworden, door de handen van den Machtige Jakobs; daarvan is hij een herder, een steen Israels;
25 Van uws vaders God, Die u zal helpen, en van den Almachtige, Die u zal zegenen, met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen des afgronds, die daaronder ligt, met zegeningen der borsten en der baarmoeder!
26 De zegeningen uws vaders gaan te boven de zegeningen mijner voorvaderen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd van Jozef, en op den hoofdschedel des afgezonderden zijner broederen!

14 Uit Efraimwas hun wortel tegen Amalek.

13 En van Jozef zeide hij: Zijn land zij gezegend van den HEERE, van het uitnemendste des hemels, van den dauw, en van de diepte, die beneden is liggende;
14 En van de uitnemendste inkomsten der zon, en van de uitnemendste voortzetting der maan;
15 En van het voornaamste der oude bergen, en van het uitnemendste der eeuwige heuvelen;
16 En van het uitnemendste der aarde en haar volheid, en van de goedgunstigheid Desgenen, Die in het braambos woonde, kome de zegening op het hoofd van Jozef, en op den schedel des afgezonderden van zijn broederen!
17 Hij heeft de heerlijkheid des eerstgeborenen zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen des eenhoorns; met dezelve zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden des lands. Dezen nu zijn de tien duizenden van Efraim, en dezen zijn de duizenden van Manasse!
19 Zij zullen de volken tot den berg roepen; daar zullen zij offeranden der gerechtigheid offeren; want zij zullen den overvloed der zeeen zuigen, en de bedekte verborgen dingen des zands.

Genesis 48:17 Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efra´m leide, zo was het kwaad in zijn ogen, en hij ondervatte zijns vaders hand, om die van het hoofd van Efra´m op het hoofd van Manasse af te brengen. en Jozef zeide tot zijn vader: Niet alzo, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd. Maar zijn vader weigerde het, en zeide: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot ÚÚn volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden. alzo zegende hij ze te dien dage, zeggende: In u zal IsraŰl zegenen, zeggende: God zette u als Efra´m en als Manasse! En hij zette Efra´m voor Manasse.

Ezechiel 47 :13: 2 snoeren van Jozef

27 (12) Benjamin zal als een wolf verscheuren;
des morgens zal hij roof eten,
en des avonds zal hij buit uitdelen.
14b Achter u was Benjamin onder uw volken.
Uit Machir zijn de wetgevers afgetogen, 

Jakobs kinderen
12 En van Benjamin zeide hij:
De beminde des HEEREN, hij zal zeker bij Hem wonen.
Hij zal hem den gansen dag overdekken,
en tussen Zijn schouders zal hij wonen!
   

hieronder nog het overzicht van de verschillende volgorden en namen van de stammenlijst.

1 2     3     4 5 6 7 8 9, de 144.000
Geboorte Jakobs zegen     Mozesĺ zegen     De telling De verspieders     Verdeling Kanańn Lied Debora De erfdelen verzegelden
Gen. 29, 30 en 35     Gen. 49     Deut. 33     Num. 1 Num. 13     Joz. 13-19     Rich 5     Ezech. 48 Openb. 7
Ruben     Ruben     Ruben     Ruben Ruben     Ruben     Efra´m     Dan Ruben
Simeon     Simeon     Juda     Simeon Simeon     Gad     Benjamin     Aser Ruben
Levi     Levi     Levi     Juda Juda     Manasse     Zebulon     Naftali Gad
Juda     Juda     Benjamin     Issaschar Issaschar     Juda     Issaschar     Manasse Aser
Dan     Zebulon     Jozef     Zebulon Efra´m     Efra´m     Ruben     Efra´m Naftali
Naftali     Issaschar     Zebulon     Efra´m Benjamin     Benjamin     Dan     Ruben Manasse
Gad     Dan     Issaschar     Manasse Zebulon     Simeon     Aser     Juda Simeon
Aser     Gad     Gad     Benjamin Manasse     Zebulon     Naftali     Benjamin Levi
Issaschar     Aser     Dan     Dan Dan     Issaschar           Simeon Issaschar
Zebulon     Naftali     Naftali     Aser Aser     Aser           Issaschar Zebulon
Jozef     Jozef     Aser     Gad Naftali     Naftali           Zebulon Jozef
Benjamin     Benjamin         Naftali Gad     Dan           Gad Benjamin
    weggelaten:     (Simeon)     (Levi ) (Levi)     (Levi )     (Juda, Simeon,
Gad, Levi
en Manasse)
    (Levi) (Dan en Efra´m)