Hoofdstuk 1 Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5 Hoofdstuk 6
Efeze 1 vetgroen geeft een flip-over

1:1. Paulus, een apostel van Christus Jezus, door den wil van God,
aan de heiligen, [die te Efeze zijn,]
 de woorden "die te Efeze zijn," schijnen toegevoegd te zijn,
deze brief is wellicht naar meerdere, zoniet naar alle Gemeenten gezonden.
zie ook laatste alinea van Kolossensen over Laodicea, 6x

en gelovigen in Christus Jezus. 2.   
genade zij u en vrede van God, onzen Vader,
en den Heere, Jezus Christus. 3.
'gezegend zij' de God en Vader van onzen Heere, Jezus Christus,

Die ons gezegend heeft 

met alle geestelijke zegening (enkelvoud)
  in den hemel
  in Christus 4.
1. gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging der wereld,
opdat wij zouden  ↓   
a. heilig en  ↓   

b. onberispelijk zijn  voor Hem in [de] liefde; 5. 

2. Die ons te voren verordineerd wiki heeft  'tot aanneming tot kinderenzonen'
door Jezus Christus, in Zichzelven,
naar het welbehagen van Zijn wil. 6.
tot prijs der heerlijkheid Zijner genade,

 

3. door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde; 7. 

 

4. in Welken wij hebben de verlossing door Zijn bled, («-»Kol 1:14)
[namelijk] de vergeving der misdaden,
naar den rijkdom Zijner genade, 8.
met welke Hij overvloedig is geweest over ons
in ons doet zijn
in alle wijsheid en voorzicht-igheid; 9.

 

5. ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil,
naar Zijn welbehagen,
hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelven. 10. [om straks]
tot in de bedeling van de volheid der tijden,
wederom alles tot één te vergaderen in de Christus, beide
dat in den hemel is, en
dat op de aarde is; 11.
in Hem,

6. in Welken
wij ook een erfdeel geworden zijn,
wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen,
Die alle dingen werkt naar den raad  van Zijn wil; 12.

 

opdat wij zouden zijn tot prijs Zijner heerlijkheid,
die eerst gehoopt in de Christus gehoopt hebben. 13.

in Welken ook gij [zijt], (geen onderscheid meer) 

 
 

1. nadat gij het Woord der waarheid, [namelijk]
het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt:
(«-»Kol 1:7) in Welken gij ook,
2. nadat gij geloofd hebt (Hem aangenomen hebt) 

   7. zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte; 14.
Die het onderpand is van onze erfenis,

(«-»Tit 3:5) tot de verkregene verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid.

1:15. Daarom ook ik,
gehoord hebbende het geloof in den Heere Jezus,
dat onder u is, en de liefde en de liefde tot al de heiligen, 16.
houde niet op voor u te danken ,
gedenkende uwer in mijn gebeden; 17. bidt
1. opdat de God van onzen Heere, Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid,
u geve
a. [den] Ggeest der wijsheid en [der]
b. openbaring in Zijn kennis; 18. [namelijk]
c. verlichte ogen uws verstands 

2. opdat gij moogt weten;
1. welke zij de hoop van Zijn roeping, en
2. welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen; 19. En
3. welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven,
naar de werking der sterkte Zijner macht, 20.
die Hij gewrocht heeft in de Christus,
als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en

heeft Hem gezet tot Zijn rechter hand in den hemel; 21. (Ps 110) verre boven alle
1. overheid, en    («-»1Pet 3:22)
2. macht, en
3. kracht, en 
4. heerschappij, en
5. allen naam, die genaamd wordt, («-»Fili 2:9)
niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende; 22. en

onder Zijn voeten heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en 

heeft Hem der Gemeente gegeven tot één Hoofd boven alle dingen; 23.
welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, de volheid van Die alles in allen vervult.

(«-»Tit 3:3)Efeziërs 2:1
en u [heeft Hij mede levend gemaakt], daar gij 'dood' waart door de misdaden en de zonden; 2. [Rom. 5:6; Kol. 2:13]
in welke gij eertijds verkeerden gewandeld hebt,
1. naar de eeuw deze wereld,
2. naar den overste van de macht der lucht,
3. van den geest, die nu werkt in de zonen der ongehoorzaamheid; 3.
onder dewelke
ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses,
doende den wil
1. des vleses en
2. der gedachten; en
wij waren van nature kinderen des toorns,  [Rom. 1:18, 9:22]  
gelijk ook de anderen;  [Rom. 3:9 4   .

maar God, Die rijk is in barmhartigheid
door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, 5.
ook toen wij dood waren door de misdaden,
1. heeft [ons] samen levend in Christus [gemaakt];
uit in [Zijn] genade zijt gij alig geworden, 6. en

2. heeft [ons] mede opgewekt, en

3. heeft [ons] mede gezet in den hemel in Christus Jezus; 7.

opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen («-»Ef 3:10)
den uitnemenden rijkdom Zijner genade,
door de in goedertierenheid over ons in Christus Jezus. 8.

want uit [die] genade zijt gij alig geworden
door het geloof; en dat niet uit u,
het is Gods gave; 9.  
niet uit de werken,
opdat niemand roeme. 10

want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus,
op goede werken welke God voorbereid heeft,
opdat wij in dezelve Hen zouden wandelen.

2:11 Daarom gedenkt,
dat gij, die eertijds
 heidenen waart in het vlees, en die voorhuid genaamd werdt van degenen,
die genaamd zijn besnijdenis in het vlees,
die met handen geschiedt; 12
dat gij in dien tijd
 waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en
 vreemdelingen van de verbonden der belofte,
geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld. 13. 

maar nu in Christus Jezus, zijt gij, die eertijds
 verre waart,
nabij geworden door het bled van Christus. 14.

want Hij is onze vrede, Die deze beiden één gemaakt heeft, en

den 'middelmuur' des afscheidsels gebroken hebbende, 15.

heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt, [namelijk]
de wet der geboden in inzettingen bestaande;

opdat Hij die twee in Zichzelven tot één nieuwen mens zou scheppen,
vrede makende; 16. En [opdat]
Hij die beiden met God in één lichaam zou verzoenen door het kruis,
a. de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende. 17.
en komende, 
b. heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd,
1. u die verre waart, en
2. dien, die nabij waren. 18.

want door Hem hebben wij beiden den toegang door in één Geest tot den Vader.

2:19. Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners,

maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods; 20.
gebouwd op het fondament der apostelen en profeten,
waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;  21.
op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde,
opwast tot een heiligen te𝕄pel in den Heere; 22.  
op Welken ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in [den] Geest.

Efeziërs 3
3:1. Om deze oorzaak [ben] ik Paulus de gevangene van Christus Jezus,
voor u, die heidenen zijt. 2. indien gij maar gehoord hebt    («-»Kol 1:25)
van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u; 3.

dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid,
gelijk ik met weinige [woorden] te voren geschreven heb; 4.
waaraan gij, dit lezende, kunt bemerken mijn wetenschap,
in deze verborgenheid van de Christus, 5.

welke in andere eeuwen geslachten den kinderen der mensen niet is bekend gemaakt,
gelijk zij  nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten,
door in [den] Geest; 6. [namelijk]

dat de heidenen zijn
1. medeerfgenamen, en

2. van hetzelfde lichaam, en

3. mededeelgenoten Zijner belofte in Christus,

door het Evangelie; 7. waarvan ik een dienaar geworden ben,
naar de gave der genade Gods, die mij gegeven is,
naar de werking Zijner kracht. 8.

Mij, den allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven,
om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen

den onnaspeurlijken  rijkdom van de Christus, 9.  

en allen [mensen] te verlichten, [dat zij mogen verstaan]
welke de bedeling [gemeenschap] der verborgenheid zij, 
(«-»Kol 1:26) die van [alle] eeuwen verborgen is geweest in God
Welke alle dingen geschapen heeft [door Jezus Christus]; 10.

Opdat nu, door de Gemeente, («-»Ef 2:7)bekend gemaakt worde aan
de overheden en de machten in den hemel
de veelvuldige  wijsheid Gods; 11.
naar het eeuwig voornemen der eeuwen 
dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onzen Heere; 12.
in Denwelken wij hebben de vrijmoedigheid en den toegang
in vertrouwen door Zijn geloof. aan  Hem.

bidt3:13. Daarom bid ik, dat gij niet vertraagt in mijn verdrukkingen voor u,
hetwelke is uw heerlijkheid. 14.
Om deze oorzaak buig ik mijn knieën
tot den Vader van onzen Heere, Jezus Christus, 15.
uit Welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, 16.
1. opdat Hij u geve, naar den rijkdom Zijner heerlijkheid,
met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in den inwendigen mens; 17.
2. opdat de Christus door het geloof in uw harten wone, en
gij in de liefde geworteld en gegrond zijt; 18.
3. opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen,
(«-»Rom 11:33)welke de
a. breedte, en
b. lengte, en 4d
c. diepte, en 
d. hoogte zij, 19. en
bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat,
4. opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods.

3:20. Hem nu, Die machtig is meer dan overvloediglijk te doen,
boven al wat wij bidden of denken,
naar de kracht, die in ons werkt.

3:21. Hem, [zeg ik,] zij de heerlijkheid
in de Gemeente,
door in Christus Jezus,
in alle geslachten,
tot alle eeuwigheid

Amen.
 
Efeziërs 4
4:1. Zo bid ik u dan, ik,     de gevangene in [den] Heere,
dat gij wandelt waardiglijk der roeping wandel
met welke gij geroepen zijt; 2.
met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid,
met lankmoedigheid,
verdragende elkander in liefde;
4:3. U benaarstigende te behouden de énigheid des Geestes door in den band des vredes. 4.
1. één lichaam is het, en
2. één Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijt tot
3. één hoop uwer roeping; 5.
4. één Heere,
5. één geloof,
6. één doop, 6.
7. één God en Vader van allen, Die daar is
1. boven allen, en
2. door allen, en
3. in u allen. 7.
maar aan elkéén van ons is de genade gegeven, naar de maat der gave van Christus.

4:8. Daarom zegt Hij:
Als Hij opgevaren is in de hoogte,
heeft Hij de gevangenis gevangen genomen,
en heeft den mensen gaven gegeven.
4:9. Nu dit:
Hij is opgevaren; wat is het, 
dan dat Hij ook eerst is nedergedaald in de nederste delen der aarde? 10.
Die nedergedaald is,
is Dezelfde ook,
Die opgevaren is verre boven al de hemelen,
opdat Hij alle dingen vervullen zou. 11. en
Dezelfde geeft. heeft gegeven.  

1. sommigen tot apostelen,
2. sommigen tot profeten,
3. sommigen tot evangelisten,
4. sommigen tot herders en leraars;
12.
1. tot de volmaking der heiligen,
2. tot in het werk der bediening,
3. tot in opbouwing des lichaams van de Christus; 13.
totdat wij allen zullen komen
1. tot in de énigheid des geloofs en
2. der kennis van den Zoon Gods,
tot één volkomen man,
tot de mate van de grootte der volheid van Christus; 14.
opdat wij niet meer kinderen zouden zijn,
die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer,
door in [de] bedriegerij der mensen,
door in arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen; 15.
maar de waarheid betrachtende in liefde,
alleszins zouden opwassen in Hem, Die het Hoofd is, [namelijk] Christus; 16
uit Welken het gehele lichaam bekwamelijk samengevoegd en («-»Kol 2:19)
samen vastgemaakt zijnde,
door alle voegselen der toebrenging,
naar de werking van een iegelijk deel in zijn mate,
den wasdom des lichaams bekomt,
tot zijns zelfs opbouwing in de liefde.
4:17. Ik zeg dan dit, en betuig het in [den] Heere,
dat gij niet meer wandelt,
gelijk als de andere heidenen wandelen in de ijdelheid huns gemoeds.  18.
verduisterd in het verstand,
vervreemd zijnde van het leven Gods,
door de onwetendheid, die in hen is,
door de verharding huns harten; 19.
welke, ongevoelig geworden zijnde,
zichzelven hebben overgegeven tot ontuchtigheid,
om alle onreinigheid [en] gierigheid te bedrijven. 20.

doch gij hebt Christus alzo niet geleerd; 21.
1. indien gij naar Hem gehoord hebt, en
2. door Hem geleerd zijt,
gelijk de waarheid in Jezus is; 22. [Te weten]
1. dat gij zoudt afleggen,
aangaande de vorige wandeling, («-»Kol 3:8)
den ouden mens,
die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding; 23. en

2. dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest uws gemoeds, 24. en [Rom. 12:2] («-»2Kor 4:16)

3. den nieuwen mens aandoen,
die naar God geschapen is wordt
[in ware rechtvaardigheid en heiligheid.]

in rechtvaardigheid en in heiligheid van de waarheid. 25.

daarom
1. legt af de leugen, en spreekt de waarheid,
een iegelijk met zijn naaste; want wij zijn elkanders leden. 26.
2. wordt toornig, en zondigt niet;  [Rom 12:19]
de zon ga niet onder over uw toornigheid; 27.
en geeft den duivel geen plaats. 28.
3. die gestolen heeft, stele niet meer,
maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen,
opdat hij hebbe mede te delen dengene, die nood heeft. 29.
4. geen vuile rede ga uit uw mond,
maar zo er enige goede [rede] is tot nuttige stichting,
opdat zij genade geve dien, die dezelve horen. 30. en  
5. bedroeft den Heiligen Geest Gods niet,
door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing. 31.
6. alle
a. bitterheid, en
b. toornigheid, en
c. gramschap, en
d. geroep, en
e. [gods] lastering
zij van u geweerd, met alle
f. boosheid; 32.
maar
7. zijt jegens elkander  
a. goedertieren,
b. barmhartig, («-»Kol 3:13)
c. vergevende elkander,
gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven heeft.
Efeziërs 5:1

Zijt dan navolgers Gods, als geliefde kinderen; 2.
en wandelt in de liefde,
gelijkerwijs ook Christus ons u liefgehad heeft,
en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande 
en een slachtoffer, Gode tot een welriekenden reuk. 3. [Jes 53:10; Ps 8:s]
maar
1. hoererij en  («-»Kol 3:5)
2. alle onreinigheid, of
3. gierigheid, laat ook onder u niet genoemd worden, 
gelijkerwijs het den heiligen betaamt, 4. noch
4. oneerbaarheid, noch
5. zot geklap, of
6. gekkernij,
welke niet betamen;
maar veelmeer dankzegging. 5.

want dit weet gij, dat geen
1. hoereerder , of 
2. onreine, of
3. gierigaard, die een afgodendienaar is,
(«-»1Kor 6:10) erfenis heeft in het Koninkrijk 
van Christus en
van God.

5:6. Dat u niemand verleide met ijdele woorden;
want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen zonen der ongehoorzaamheid.7.
zo zijt dan hun medegenoten niet. 8.
want gij waart eertijds duisternis,

maar nu zijt gij licht in [den] Heere;
wandelt als kinderen des lichts. 9.
want de vrucht des Geestes van het licht is   [89:16]
in alle
- goedigheid, en
- rechtvaardigheid, en
- waarheid, 10.
beproevende wat den Heere welbehagelijk zij. [Rom 12:2] 11. en

hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis,
maar bestraf ze ook veeleer. 12.

want hetgeen heimelijk van hen geschiedt,
is schandelijk ook te zeggen. 13.
maar al deze dingen,
van het licht bestraft zijnde, worden openbaar ;
want al wat openbaar maakt, is licht.

5:14. Daarom zegt Hij: Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de doden;
en Christus zal over u lichten. [Jes 9:1; Jes 60:1]

5:15. Ziet dan, hoe gij voorzichtiglijk wandelt,
niet als onwijzen,
maar als wijzen. 16.
den tijd uitkopende, dewijl de dagen boos zijn. 17.
daarom zijt niet onverstandig,
maar verstaat, welke de wil des Heeren zij. 18. en
wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is,
maar wordt vervuld met den Geest;  19.
sprekende onder elkander met
1. psalmen, en
2. lofzangen, en
3. geestelijke liederen,
4. zingende en
5. psalmende den Heere in uw hart; 20.
6. dankende te allen tijd over alle dingen God en den Vader, («-»Kol 3:17)
in den Naam van onzen Heere Jezus Christus; 21.
7. elkander onderdanig zijnde
in 'de vreze voor Christus' Gods.

5:22. Gij vrouwen,
weest aan uw eigen mannen onderdanig,   
gelijk [aan] den Heere; 23.
want de man is het hoofd der vrouw,
gelijk ook de Christus het Hoofd der Gemeente is;
en Hij is [de] Behouder des lichaams. 24.

daarom,

gelijk de Gemeente [aan] Christus onderdanig is,
alzo ook de vrouwen [aan] haar eigen mannen in alles.
5:25. Gij mannen
hebt uw eigen vrouwen lief, 
gelijk ook Christus
de Gemeente liefgehad heeft, en
Zichzelven voor haar heeft overgegeven; 26. 

opdat Hij haar heiligen zou,  [Hebr. 10:10; Titus 3:5]  [Matth. 3:11; 2Kor. 3:3; 1 Petr. 3:21] 
[haar] gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord;27.

opdat Hij haar  («-»2Kor 11:2) Zichzelven heerlijk zou voorstellen,
één Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks,

maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk. 28

alzo zijn de mannen schuldig
hun eigen vrouwen lief te hebben, gelijk hun eigen lichamen.
die zijn eigen vrouw liefheeft,
die heeft zichzelven lief. 29.

want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat,
maar hij voedt het, en onderhoudt het,
gelijkerwijs ook de Christus Heere
de Gemeente. 30.
want wij zijn leden Zijns lichaams,  
van Zijn vlees en van Zijn benen. 31.

Daarom
zal een mens zijn vader en moeder verlaten, en 
zal zijn vrouw aanhangen;
en zij twee zullen tot één vlees wezen. 32.

Deze verborgenheid is groot; doch ik zeg [dit, ziende]
op Christus en
op de Gemeente. 33.
zo dan ook gijlieden, elk in het bijzonder,
een iegelijk hebbe zijn eigen vrouw,
alzo lief als zichzelven;
en de vrouw [zie], dat zij den man vreze.

Efeziërs 6
6:1. Gij kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in den Heere;
want dat is recht. 2.
eer uw vader en moeder (hetwelk het eerste gebod is met een belofte), 3.
opdat het u welga, en [dat] gij lang leeft op de aarde. [en]

6:4. Gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, («-»Kol 3:21)
maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.

6:5. Gij dienstknechten, zijt gehoorzaam [uw] heren naar het vlees,
met vreze en beven,
in eenvoudigheid uws harten,
gelijk als aan Christus; 6.
niet naar ogendienst, als mensenbehagers,
maar als dienstknechten van Christus,
doende den wil van God van harte; 7.
dienende met goedwilligheid den Heere, en
niet de mensen; 8.
wetende 
dat zo wat goed een iegelijk gedaan zal hebben,  
hij datzelve van den Heere zal ontvangen,
hetzij dienstknecht,
hetzij vrije. [en]

6:9. Gij heren, doet hetzelfde bij hen,
nalatende de dreiging;
als die weet, dat ook uw eigen Heere in de hemelen is,
en [dat] geen aanneming des persoons bij Hem is.

6:10. Voorts, mijn broeders,
wordt krachtig
1. in den Heere, en
2. in de sterkte Zijner macht. 11.

doet aan de gehele wapenrusting Gods,
opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels. 12.
(«-»2Kor 10:3)want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar
1. tegen de overheden,
2. tegen de machten,
3. tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw,
4. tegen de geestelijke boosheden in de hemellucht. 13
Daarom
neemt aan de gehele wapenrusting Gods,
opdat gij kunt wederstaan in den bozen dag,
en alles verricht hebbende,
staande blijven. 14

Staat dan,
 

1. uw lenden omgord hebbende met [de] waarheid,
en
2. aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid; 15
en
3. de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes; 16
bovenal aangenomen hebbende
4. het schild des geloofs,
met hetwelk gij al de vurige pijlen des bozen zult kunnen uitblussen. 17
en neemt ontvang
5. den helm der zaligheid,
en
6. het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord18
met
7. alle bidding en smeking, biddende te allen tijd in den Geest, en
tot hetzelve wakende met alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen.

(«-»Kol 4:3)6:19. En voor mij,
opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid,
om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken; 20.  

waarover ik een gezant ben in [een] keten,  
opdat ik in hetzelve vrijmoediglijk moge spreken,
gelijk mij betaamt te spreken. 21. en
opdat ook gij moogt weten hetgeen mij aangaat; [en]
wat ik doe, [dat]

alles zal u Tychikus
de geliefde broeder en getrouwe dienaar in [den] Heere, bekend maken; 22.
denwelken ik tot datzelfde einde tot u gezonden heb,
opdat gij onze zaken zoudt weten, en hij uw harten zou vertroosten.

6:23. Vrede zij den broederen, en liefde met geloof,
van God den Vader, en [den] Heere Jezus Christus.

6:24. De genade [zij] met al degenen,
die onzen Heere Jezus Christus liefhebben in onverderfelijkheid.

Amen.