Conclusie uit: Hoe te genieten van de Bijbel, pagina 416   |   E.W. Bullinger 1916

1.Aangenomen wordt, van het eerste woord tot en met het laatste,
dat gelovige lezers overgaan van dood naar in het leven,
ze hebben de goddelijke gave van een geestelijke “begrip”,

afgezien van die, die zegt; 'alles wat er is geschreven, is nutteloos'.

We moeten in staat zijn om te zeggen:
“Doch wij weten
  dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven,
  dat wij den Waarachtige kennen;
  en wij zijn in den Waarachtige, [namelijk] in Zijn Zoon Jezus Christus.
  Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven”. (1 Joh 5:20)

Dit is niet gemaakt om ongelovigen te overtuigen,
maar hoe God in ons kan overheersen tot het goede werk daartoe.

Niet ter verdediging van de Bijbel,
want deze heeft geen behoefte aan een verdediging van wie dan ook,
maar het is juist ons eigen “schild” (Ps 91:4) en “zwaard” (Ef 6:17),
zonder welke we weerloos zijn.

Niet voor degenen die   “vrede bij God” hebben (Rom. 5:1),
en genieten van de “vrede van God” (o.a Fillip. 4:7),
en weet van de   “God van de vrede“ (o.a. Rom. 15:33).

Juist voor mensen die vrije tijd besteden met God, diegene die kanbidt
“zitten aan de voeten van de Heer en Zijn Woord te horen”. (Luk 10:38).

Anderen worden “in beslag genomen door het vele bedienen”.
Zij willen met behoeften worden bezet uit hun zelf:
- als zondaars in beslag genomen door hun zonden, of
- als boetelingen met hun berouw, of
- als gelovigen met hun geloof, of
- als heiligen met hun heiligheid.

Tenzij en totdat ''we weten'' dat onze volmaaktheid is in Christus (Kol 2:10),
en ''geloven God'' toen Hij verklaarde dat:
“Die ons bekwaam gemaakt heeft, om deel [te hebben] in de erve der heiligen in het licht” (Kol 1:12),
zullen wij komen in een gesteldheid van geweten, hart en leven
en niet achterlaten tijd te besteden met God. (Kol 3:1)

Net als David toen hij 'zat in zijn huis' en bezig was met wat hij voor de Heer zou doen.
Want, niet totdat we geleerd hebben wat de Heer
heeft gedaan
en besloten had voor ons te doen,,
kunnen we net als David, naar binnen te gaan en zitten voor de Heer (2 Sam 7:1,18).

en net als David onderwezen was zodat hij uitriep:
Wie ben ik, Heere God, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?”

 

2. Het Woord van God is het voedsel van de nieuwe mens niets anders kan het bijstaan.
Net zoals het is met ons fysieke leven; het kan zichzelf niet in stand houden,
en haar voeding moet van buitenaf komen;
zo is het ook met ons geestelijk leven,
die voeding moet ook van buiten komen.

Omdat we niet op ons zelf kunnen leven in de natuurlijke sfeer,
zo kunnen we ons zelf niet voeden in de geestelijke sfeer.
we kunnen niet leven op onze eigen gevoelens,
noch op onze ervaringen,
noch van de zoetste woorden die afkomstig zijn van een mens.

deze kunnen prikkelen,
waarschuwen of ons interesseren,
maar ze kunnen ons niet voeden,
noch ons laten groeien in het (geestelijke) leven.

Het was een plechtige waarheid dat Heer Jezus sprak,
toen Hij Zichzelf vergeleek met voedsel, zeggende:
“Gelijkerwijze Mij de levende Vader gezonden heeft,
en Ik leve door den Vader;
[alzo] die Mij eet, dezelve zal leven door Mij.“ (Joh 6:57).

want, zoals voedsel moet worden gegeten en verteerd worden,
zodat het
- deel van ons gaat worden,
- in ons gaat leven en
- ons onze kracht geeft en
- ons laat groeien (wassen),
zo is het ook met “het Brood des levens”. (Joh 6:48)

 

3. Leren van de Bijbel (Gods Woord) moet uiteindelijk individueel zijn.
Net als bij het gewone lichamelijke voedsel:
- anderen mogen het eten bereiden en het op verschillende manieren serveren:
- ze kunnen het op verschillende wijze koken;
- ze kunnen “gemaakte gerechten” presenteren, of voor kauwen!
- ze kunnen het snijden, bewerken, en zelfs in de mond geven, als bij baby’s;

maar meer niet!

- ze kunnen het niet eten, verteren of assimileren voor ons;

hetzelfde is het met het geestelijke voedsel, het Woord van God.

Niettegenstaande bij alles wat gepubliceerd is, de grote noodzaak blijft:
Bezig zijn met de Woorden Gods (de Bijbel) moet intens persoonlijk en individueel zijn.

Een ieder moet voor zichzelf acht slaan op elke verwijzing;
- woorden navorsen doormiddel van Schriftplaatsen waarin deze gegeven worden;
- hun gewoonten overwegen;
- zoeken van- en lezen in de context;
- lijstjes en reeksen maken en
- conclusies maken voor zichzelf.


Conclusie: Zo kan een ieder zich voeden met het Woord,
en zo worden (op)gevoed,
en zo wordt men sterk en groeit daardoor.

Dan zal de mens in staat zijn om te zeggen met Jeremia (15:16)

“Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en
Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten;
want ik ben naar Uw Naam genoemd, o HEERE, God der heirscharen!”
 

E.W. Bullinger, 1916

Niet overtuigd te zijn door overleveringen,
maar door beproefde verschillen, krachtens het vervulde Woord Gods!

Luuk Fieten, 1999