Anti, G473, 22x  (Grieks) vetgroen geeft een flip-over
1. tegenovergesteld, in plaats (daar)van (anti in Latijn = gericht tegen iets)
2. in tegenstelling tot
SV: in de plaats van, om, voor, dat, daarom, in plaats
MatthťŁs 2:22
Maar als hij hoorde, dat ArchelŠŁs in Judťa koning was, in de plaats van zijn vader ..
MatthťŁs 5:38
Gij hebt gehoord, dat gezegd is: Oog
om oog, en tand om tand.
MatthťŁs 17:27
Ö eersten vis, die opkomt, neem, en zijn mond geopend hebbende, zult gij een stater vinden;
neem dien, en geef hem aan hen voor Mij en u.
MatthťŁs 20:28Markus 10:45
Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen,
en Zijn ziel te geven [tot] een rantsoen
voor velen.
Lukas 1:20
En zie, gij zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op den dag, dat deze dingen geschied zullen zijn;
om dies wil,
dat gij mijn woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hun tijd.
Lukas 11:11
En wat vader onder u, dien de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven,
of ook om een vis, zal hem
voor een vis een slang geven?
Lukas 12:3
Daarom, al wat gij in de duisternis gezegd hebt, zal in het licht gehoord worden;
en wat gij in het oor gesproken hebt, in de binnenkamers, zal op de daken gepredikt worden.
Lukas 19:44
En zullen u tot den grond nederwerpen, en uw kinderen in u;
en zij zullen in u den [enen] steen op den [anderen] steen niet laten;
daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt.
Johannes 1:16
En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade
Handelingen 12:23
En van stonde aan sloeg hem een engel des Heeren, daarom dat hij Gode de eer niet gaf;
en hij werd van de wormen gegeten, en gaf den geest.
Romeinen 12:17
Vergeldt niemand kwaad
voor kwaad. Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle mensen.
1 Korinthe 11:15
Maar zo een vrouw lang haar draagt, da
t het haar een eer is;
omdat het lange haar voor een deksel haar is gegeven?
…feze 5:30-32
Want wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen.
Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen;
en zij twee zullen tot ťťn vlees wezen.
Deze verborgenheid is groot; doch ik zeg [dit], [ziende] op Christus en op de Gemeente.
1 Thessalonicenzen 5:15
Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde;
maar jaagt allen tijd het goede na, zo jegens elkander als jegens allen.
2 Thessalonicenzen 2:10
En in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan;
daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om alig te worden.
HebreeŽn 12:2, 16
- Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde,
die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht,
en is gezeten aan de rechter [hand] des troons van God. 
- Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige,
gelijk Ezau die om een spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf.
Jakobus 4:15
In plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heere wil, en wij leven zullen,
zo zullen wij dit of dat doen.
1 Petrus 3:9
Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen;
wetende, dat gij daartoe geroepen zijt, opdat gij zegening zoudt beŽrven.
Antichristos (5x), G500
in plaats van Christus, een tegenstander (of tegenstander) van de Messias
   uit G473 (anti) en G5547 (Christos) SV: antichrist
1 Johannes 2:18,22
Kinderkens, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat de antichrist komt,
[zo] zijn ook nu vele antichristen geworden; waaruit wij kennen, dat het de laatste ure is.
Wie is de leugenaar, dan die loochent, dat Jezus is de Christus?
Deze is de antichrist, die den Vader en den Zoon loochent.
1 Johannes 4:3
En alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet;
maar dit is [de geest] van den antichrist, welken [geest] gij gehoord hebt, dat komen zal,
en is nu alrede in de wereld.
2 Johannes 1:7
Want er zijn vele verleiders in de wereld gekomen,
die niet belijden, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is.
Deze is de verleider en de antichrist.
andere Schriftplaatsen over die tegenstander en z'n knechten
Job 1:7; Job 2:2
Toen zeide de HEERE tot den satan: Van waar komt gij?
En de satan antwoordde den HEERE, en zeide:
Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.
En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht  geslagen op Mijn knecht Job?
DaniŽl 11:38
En hij zal den god MaŁzzim in zijn standplaats eren; namelijk den god, welken zijn vaders niet gekend hebben,
zal hij eren met goud, en met zilver, en met kostelijk gesteente, en met gewenste dingen.
Mattheus 13:28
En hij zeide tot hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan. En de dienstknechten zeiden tot hem:
Wilt gij dan,dat wij heengaan en datzelve vergaderen?
v.39 En de vijand, die hetzelve gezaaid heeft, is de duivel
en de oogst is de voleinding der wereld; en de maaiers zijn de engelen.
DaniŽl 12:11; MattheŁs 24:15
Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door DaniŽl, den profeet,
staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!)
Lukas 22:31
En de Heere zeide: Simon, Simon,
ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe;
Joh 5:43
Ik ben gekomen in den Naam Mijns Vaders, en gij neemt Mij niet aan;
zo ťťn ander komt in zijn eigen naam, dien zult gij aannemen.
Johannes 12:31; 14:30; 16:11
Ik zal niet meer veel met u spreken; want de overste dezer wereld komt, en heeft aan Mij niets.
1 KorinthiŽrs 2:8
Welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft;
want indien zij ze gekend hadden,
zo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben.
1 KorinthiŽrs 15:25-26
Want Hij moet als Koning heersen,
totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben.
De laatste vijand,
die te niet gedaan wordt, is de dood.
2 KorinthiŽrs 2:10-11
Dien gij nu iets vergeeft, dien vergeef ik ook; want zo ik ook iets vergeven heb, dien ik vergeven heb,
heb ik het vergeven om uwentwil, voor het aangezicht van Christus,
opdat de satan over ons geen voordeel krijge;
Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend.
2 KorinthiŽrs 4:4
In dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen,
opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus,
Die het Beeld Gods de Onzienlijke is.
2 KorinthiŽrs 11:12-15
Maar wat ik doe, dat zal ik nog doen,
om de oorzaak af te snijden dengenen, die oorzaak hebben willen,
opdat zij in hetgeen zij roemen, bevonden mochten worden gelijk als wij.
Want zulke vvalselse apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus.
En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in een engel des lichts.
Zo is het dan niets groots, indien ook zijn dienaars zich veranderen,
als waren zij dienaars der gerechtigheid; van welke het einde zal zijn naar hun werken.
1 TimotheŁs 5:14
Ik wil dan, dat de jonge weduwen huwelijken, kinderen telen, het huis regeren,
geen oorzaak van lastering aan de wederpartij geven.
1 Thessalonicensen 3:5
Daarom ook deze begeerte niet langer kunnende verdragen, heb ik hem gezonden,
om uw geloof te verstaan; of niet misschien de verzoeker u zou verzocht hebben,
en onze arbeid ijdel zou wezen.
1 Thessalonicensen 5:1-3  
Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht.
Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar;
dan zal een haastig verderf hun overkomen,
gelijk de barensnood een bevruchte vrouw; en zij zullen het geenszins ontvlieden;
2 Thessalonicensen 1:6
Alzo het recht is bij God verdrukking te vergelden dengenen, die u verdrukken;
8 Met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen,
en over degenen, die het Evangelie van onzen Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn.
9 Dewelken zullen tot straf lijden het eeuwig verderf,
van het aangezicht des Heeren, en
van de heerlijkheid Zijner sterkte,
2 Thessalonicensen 2:3-12
Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet,
tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij  de mens der zonde,
de zoon des verderfs; 4   (de mens der wetteloosheid)
die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geŽerd wordt,
alzo dat hij in den   - tempel Gods -  als een Ggod zal zitten,
zichzelven vertonende, dat hij God is.
5 Gedenkt gij niet, dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb? 6
en nu, wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd. 7
Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk,
Die hem nu wederhoudt,
Die zal hem wederhouden,
totdat hij uit het midden zal weggedaan worden. 8
en alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden,
denwelken de Heere verdoen zal door den Geest Zijns monds,
en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst; 9
hem, zeg ik,
wiens toekomst is naar de werking des satans,
in alle kracht, en
tekenen, en
wonderen der leugen; 10 en
in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen,
die verloren gaan;
daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om alig te worden. 11
en daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;12
Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben,
maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid.

Jakobus 4:7
Zo onderwerpt u dan Gode; wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden.
1Joh 3:8
Die de zonde doet, is uit den duivel; want de duivel zondigt van den beginne.
hiertoe is de Zoon van God geopenbaard,
opdat Hij de werken des duivels verbreken zou.
1Joh 5:19  Wij weten
dat wij uit God zijn, en dat de gehele wereld ligt in het boze. 
1 Petrus 5:8
Zijt nuchteren, en waakt;
want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw,
zoekende, wien hij zou mogen verslinden;
Openb 12:10
En ik hoorde een grote stem, zeggende in den hemel:
Nu is de zaligheid, en de kracht,
en het koninkrijk geworden onzes Gods;
en de macht van Zijn Christus;
want de verklager onzer broederen,
die hen verklaagde voor onzen God dag en nacht is nedergeworpen.
En zij hadden over zich tot een koning den engel des afgronds;
zijn naam was
in het Hebreeuws Abaddon, en
in de Griekse taal had hij den naam Apollyon.
Openb 13:11
En ik zag een ander beest uit de aarde opkomen, en
het had twee hoornen, des Lams hoornen gelijk, en
het sprak als de draak. en
het oefent al de macht van het eerste beest, in tegenwoordigheid van hetzelve, en
het maakt, dat de aarde,
en die daarin wonen
het eerste beest aanbidden, wiens dodelijke wonde genezen was. en
het doet grote tekenen, zodat het ook vuur uit den hemel doet afkomen op de aarde,
voor de mensen.
Openbaring 17:11
En het beest, dat was en niet is, die is ook de achtste koning, en is uit de zeven en gaat ten verderve.