Apeitheia, G543, 7x vetgroen geeft een flip-over
Ongeloof (hardnekkig en opstandig).
Romeinen 11:30
Want gelijkerwijs ook gijlieden eertijds Gode ongehoorzaam geweest zijt,
maar nu barmhartigheid verkregen hebt door dezer ongehoorzaamheid;
Romeinen 11:32
Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten,
opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn.
EfeziŽrs 2:2
In welke
gij eertijds gewandeld hebt,
naar de eeuw dezer wereld,
naar den overste van de macht der lucht,
van den geest, die nu werkt in de kinderen zonen der ongehoorzaamheid;
EfeziŽrs 5:6
Dat u niemand verleide met ijdele woorden;
want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen zonen der ongehoorzaamheid.
Kolossensen 3:6
Om welke de toorn Gods komt over de kinderen zonen der ongehoorzaamheid;
HebreeŽn 4:6
Dewijl dan blijft,
dat sommigen in dezelve rust ingaan,
en degenen, dien het Evangelie eerst verkondigd was,
niet ingegaan zijn vanwege de ongehoorzaamheid,
HebreeŽn 4:11
Laat ons dan ons benaarstigen,
om in die rust in te gaan;
opdat niet iemand in hetzelfde voorbeeld der ongelovigheid valle.
Apeitheo, G544, 16x
1. ongeloof (opzettelijk en pervers).
2. (door directe uitbreiding) opzettelijk ongehoorzaam te zijn.
Johannes 3:36
Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is,
die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.
Handelingen 14:2
Maar de Joden, die ongehoorzaam waren,
verwekten en verbitterden de zielen der heidenen tegen de broeders.
Handelingen 17:5
Maar de Joden, die ongehoorzaam waren,
dit benijdende, namen tot zich enige boze mannen uit de marktboeven,
en maakten, dat het volk te hoop liep, en beroerden de stad;
en op het huis van Jason aanvallende, zochten zij hen tot het volk te brengen.
Handelingen 19:9
Maar als sommigen verhard werden, en ongehoorzaam waren,
kwaadsprekende van den weg des Heeren voor de menigte, week hij van hen,
en scheidde de discipelen af, dagelijks handelende in de school van zekeren Tyrannus.
Romeinen 2:8
Maar dengenen, die twistgierig zijn, en die der waarheid ongehoorzaam,
doch der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden worden;
Romeinen 10:21
Maar tegen IsraŽl zegt Hij:
Den gehelen dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk.
Romeinen 11:30
Want gelijkerwijs ook gijlieden eertijds Gode ongehoorzaam geweest zijt,
maar nu barmhartigheid verkregen hebt door dezer ongehoorzaamheid;
Romeinen 11:31
Alzo zijn ook dezen nu ongehoorzaam geweest,
opdat ook zij door uw barmhartigheid zouden barmhartigheid verkrijgen.
Romeinen 15:31
Opdat ik mag bevrijd worden van de ongehoorzamen in Judea,
en dat deze mijn dienst, dien ik aan Jeruzalem doe, aangenaam zij den heiligen;
HebreeŽn 3:18
En welken heeft Hij gezworen, dat zij in Zijn rust niet zouden ingaan,
anders dan dengenen, die ongehoorzaam geweest waren?
HebreeŽn 11:31
Door het geloof is Rachab, de hoer, niet omgekomen met de ongehoorzamen,
als zij de verspieders met vrede had ontvangen.
1 Petrus 2:7
U dan, die gelooft, is Hij dierbaar;
maar den ongehoorzamen wordt gezegd:
De Steen, Dien de bouwlieden verworpen hebben,
Deze is geworden tot een hoofd des hoeks,
en een steen des aanstoots, en een rots der ergernis;
1 Petrus 2:8
Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde,
waartoe zij ook gezet zijn.
1 Petrus 3:1
Desgelijks gij vrouwen, zijt uw eigenen mannen onderdanig;
opdat ook, zo enigen den Woorde ongehoorzaam zijn,
zij door den wandel der vrouwen zonder Woord mogen gewonnen worden;
1 Petrus 3:20
Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte,
in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd;
waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water.
1 Petrus 4:17
Want het is de tijd, dat het oordeel beginne van het huis Gods;
en indien het eerst van ons begint,
welk zal het einde zijn dergenen, die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn?
Apeithes, G545, 6x    Anupotaktos, 4x
1. onwrikbaar, d.w.z. weerspannig.
2. (door directe uitbreiding) opzettelijk en hardnekkig ongehoorzaam.
Lukas 1:17
En hij zal voor Hem heengaan, in den geest en de kracht van Elias,
om te bekeren de harten der vaderen tot de kinderen,
en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen,
om den Heere te bereiden een toegerust volk.
Handelingen 26:19
Daarom, o koning Agrippa, ben ik dat Hemels gezicht niet ongehoorzaam geweest;
Romeinen 1:30
Oorblazers, achterklappers, haters Gods, smaders, hovaardigen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, den ouderen ongehoorzaam;
Titus 1:16
Zij belijden, dat zij God kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken,
alzo zij gruwelijk zijn en ongehoorzaam, en tot alle goed werk ongeschikt.
Titus 3:3
Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkander hatende.
2 TimotheŁs 3:2
Want de mensen zullen zijn liefhebbers van zichzelven, geldgierig, laatdunkend, hovaardig, lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig.
Parakoe, G3876, 3x
1. onoplettendheid
2. (impliciet) ongehoorzaamheid
Romeinen 5:19
Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien enen mens
velen tot zondaars gesteld zijn geworden,
alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen
velen tot rechtvaardigen gesteld worden.
2 KorinthiŽrs 10:6
En gereed hebbende, hetgeen dient om te wreken alle ongehoorzaamheid,
wanneer uw gehoorzaamheid zal vervuld zijn.
HebreeŽn 2:2
Want indien het woord, door de engelen gesproken, vast is geweest,
en alle overtreding
en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft;
Apistos, G571, 21x
1. (actief) ongelovigen, dat wil zeggen zonder christelijk geloof
2. (speciaal) een heiden
3. (passief) onbetrouwbaar (persoon) of ongelovig, ongelooflijk (ding).
Handelingen 26:8
Wat?
wordt het bij ulieden ongelofelijk geoordeeld, dat God de doden opwekt?
o.a. Titus 1:15
Alle dingen zijn wel rein den reinen,
maar den bevlekten en ongelovigen is geen ding rein,
maar beide hun verstand en geweten zijn bevlekt.
Apistia, G570, 12x
1. trouweloosheid
2. (negatief) ongeloof (gebrek aan christelijk geloof).
3. (positief) ontrouw (ongehoorzaamheid)
o.a. MattheŁs 13:58
En Hij heeft aldaar niet vele krachten gedaan, vanwege hun ongeloof.
Miaino, G3392, 5x = Verontreinigen of vervuilen (ceremonieel of moreel).
Johannes 18:28
Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis. En
het was 's morgens vroeg; en
zij gingen niet in het rechthuis,
opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar
opdat zij het pascha eten mochten.
Titus 1:15
Alle dingen zijn wel rein den reinen, maar
den bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar
beide hun verstand en geweten zijn bevlekt.
HebreeŽn 12:15
Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade Gods;
dat niet enige wortel der bitterheid,
opwaarts spruitende,
beroerte make en door dezelve velen ontreinigd worden.
Judas 1:8
Desgelijks evenwel ook dezen,
in slaap gebracht zijnde,
verontreinigen het vlees, en
verwerpen de heerschappij, en
lasteren de heerlijkheden.
Paradoxos, G3861, 1x
In tegenstelling tot verwachting, dat wil zeggen buitengewoon ("paradox").
Lukas 5:26
en ontzetting heeft hen allen bevangen,
en zij verheerlijkten God,
en werden vervuld met vreze, zeggende:
Wij hebben heden ongelofelijke dingen gezien.