Apo-katallasso, G604, 3x
1. volledig verzoenen(d) (eruit, voltooid)
(weder/opnieuw verzoenen)
Apo, G575, 602x
1. uit, (iets, plaats, positie, tijd of relatie)
2. Weg (vanaf) {letterlijk of figuurlijk als: scheiding, vertrek, etc.}
Efeze 2:16
En [opdat] Hij die beiden met God in ťťn lichaam zou verzoenen door het kruis,
de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende.
Kolossenzen 1:20, 21 
En dat Hij,
door Hem vrede gemaakt hebbende door het bled Zijns kruises,
door Hem, [zeg ik], alle dingen verzoenen zou tot Zichzelven,
hetzij de dingen, die op de aarde,
hetzij de dingen die in de hemelen zijn.
En Hij heeft u, die eertijds vervreemd waart, en vijanden door het verstand in de boze werken,
nu ook verzoend,
in het lichaam Zijns vleses,
door den dood,
opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en onbeschuldiglijk voor Zich stellen;
Katallasso, G2644, 6x
1. In zichzelf veranderen, (om)ruilen
2. Van positie veranderen
3. (figuurlijk) verzoenen(d) (werkwoord)
Katallage, G2643, 4x
1. een uitwisseling
2. (figuurlijk) een aanpassing, verzoening
3. (speciaal) herstel van/door Gods wil
Romeinen 5:10-11,
Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons,
veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven.
En niet alleenlijk [dit], maar wij roemen ook in God, door onzen Heere Jezus Christus,
door Welken wij nu de verzoening gekregen hebben.
Romeinen 11:15
Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld,
wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden?
1 Korinthe 7:11
En indien zij ook scheidt, dat zij ongetrouwd blijve, of met den man verzoene;
en dat de man de vrouw niet verlate.
2 Korinthe 5:18-20
En al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelven verzoend heeft door Jezus Christus,
en ons de bediening der verzoening gegeven heeft.
Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende,
hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd.
Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade;
wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen
Hilaskomai, G2433, 2x
1. verzoenen
2. (transitief) boeten (voor zonde)
3. (intransitief) gunstig wezen
Lukas 18:13
En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel,
maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig!
HebreeŽn 2:17
Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden,
opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn,
in de dingen, die bij God [te doen waren],
om de zonden des volks te verzoenen
Hilasmos, G2434, 2x
1. (letterlijk) gunstig vergeving (de handeling en het resultaat).
2. (goed) bedekking (om gunstige vergeving te verkrijgen).
3. (concreet) iemand die verzoening doet (voor een ander).
1 Johannes 2:2; 4:10
En Hij is een verzoening voor onze zonden; 
en niet alleen voor de onze, maar ook voor [de zonden] der gehele wereld.
Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad,
en Zijn Zoon gezonden heeft [tot] een verzoening voor onze zonden.
Hilasterion, G2435, 2x
1. een boete (plaats of ding)
2. (concreet) een verzoenend slachtoffer
3. (speciaal) het deksel van de Ark
Romeinen 3:25
Welken God voorgesteld heeft [tot] een verzoening, door het geloof in Zijn bled,
tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden,
die te voren geschied zijn onder de lijdzaamheid Gods;
HebreeŽn 9:5
En boven over deze [ark] waren de cherubijnen der heerlijkheid,
die het verzoendeksel beschaduwden;
van welke dingen wij nu van stuk tot stuk niet zullen zeggen.
Diallasso, G1259, 1x
1.
grondig veranderen.
2. (mentaal) om te verzoenen.
MattheŁs 5:24
Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen,
verzoent u eerst met uw broeder, en komt dan en offert uw gave.