Charis, G5485, 155x
1. genade (als verheugend), wijze of handelen
2. (vooral) de goddelijke invloed op het hart, en haar reflectie in het leven
3. (ook) dankbaarheid"
 
Charisma, G5486, 17x
1. een (goddelijke) gift, goedheid, vergeving of redding; (van gevaar of passie).
2. (speciaal) een genadige schenking of gift (geestelijk).
3. (subjectief) religieuze hoedanigheid of bekwaamheid.
4. (objectief) wonderbaarlijke gave (vermogen).
Romeinen 1:11
Want ik verlang om u te zien, opdat ik u enige geestelijke gave mocht mededelen,
ten einde gij versterkt zoudt worden;
Romeinen 5:15
Doch niet, gelijk de misdaad, alzo is ook de genadegift,
want indien, door de misdaad van een, velen gestorven zijn,
zo is veel meer de genade Gods, en de gave door de genade,
die daar is van een mens Jezus Christus, overvloedig geweest over velen.
Romeinen 5:16
En niet, gelijk de schuld was door den een, die gezondigd heeft, alzo is de gift;
want de schuld is wel uit een misdaad tot verdoemenis,
maar de genadegift is uit vele misdaden tot rechtvaardigmaking.
Romeinen 6:23
Want de bezoldiging der zonde is de dood,
maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.
Romeinen 11:29
Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.
Romeinen 12:6
Hebbende nu verscheidene gaven, naar de genade, die ons gegeven is,
Romeinen 12:7
Zo laat ons die gaven besteden,
hetzij profetie, naar de mate des geloofs;
hetzij bediening, in het bedienen;
hetzij die leert, in het leren;
1 Korinthiėrs 1:7
Alzo dat het u aan gene gave ontbreekt, verwachtende de openbaring van onzen Heere Jezus Christus.
1 Korinthiėrs 7:7
Want ik wilde, dat alle mensen waren, gelijk als ikzelf ben;
maar een iegelijk heeft zijn eigen gave van God, de een wel aldus, maar de andere alzo.
1 Korinthiėrs 12:4
En er is verscheidenheid der gaven, doch het is dezelfde Geest;
1 Korinthiėrs 12:9
En een ander het geloof, door denzelfden Geest;
en een ander de gaven der gezondmakingen, door denzelfden Geest.
1 Korinthiėrs 12:28
En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld,
ten eerste apostelen,
ten tweede profeten,
ten derde leraars,
daarna krachten,
daarna gaven der
gezondmakingen,
behulpsels,
regeringen,
menigerlei talen.
1 Korinthiėrs 12:30
Hebben zij allen gaven der gezondmakingen?
Spreken zij allen met menigerlei talen?
Zijn zij allen uitleggers?
1 Korinthiėrs 12:31
Doch ijvert naar de beste gaven; en ik wijs u een weg, die nog uitnemender is.
2 Korinthiėrs 1:11
Alzo gijlieden ook medearbeidt voor ons door het gebed,
opdat over de gave,
door vele personen aan ons teweeggebracht ook voor ons dankzegging door velen gedaan worde.
1 Timotheüs 4:14
Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profetie,
met oplegging der handen des ouderlingschaps.
2 Timotheüs 1:6
Om welke oorzaak ik u indachtig maak,  
dat gij opwekt de gave Gods, die in u is, door de oplegging mijner handen.
1 Petrus 4:10
Een iegelijk, gelijk hij gave ontvangen heeft, alzo bediene hij dezelve aan de anderen,
als goede uitdelers der menigerlei genade Gods.
Dorea, G1431, 11x
1. een geschenk, een cadeau.
2. (vooral) een gratis geschenk.
Johannes 4:10
Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij de gave Gods kendet, en Wie Hij is, Die tot u zegt:
Geef Mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd,
en Hij zoude u levend water gegeven hebben.
Handelingen 2:38
En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus,
tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.
Handelingen 8:20
Maar Petrus zeide tot hem: Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt,
dat de gave Gods door geld verkregen wordt!
Handelingen 10:45
En de gelovigen, die uit de besnijdenis waren, zovelen als met Petrus gekomen waren,
ontzetten zich, dat de gave des Heiligen Geestes ook op de heidenen uitgestort werd.
Handelingen 11:17
Indien dan God hun evengelijke gave gegeven heeft, als ook ons,
die in de Heere Jezus Christus geloofd hebben, wie was ik toch, die God konde weren?
Romeinen 5:15
Doch niet, gelijk de misdaad, alzo is ook de genadegift, want indien, door de misdaad van een,
velen gestorven zijn, zo is veel meer de genade Gods, en de gave door de genade,
die daar is van een mens Jezus Christus, overvloedig geweest over velen.
Romeinen 5:17
Want indien door de misdaad van een de dood geheerst heeft door dien enen, veel meer zullen degenen,
die den overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid ontvangen,
in het leven heersen door dien Enen, namelijk Jezus Christus.
2 Korinthiėrs 9:15
Doch Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave.
Efeziėrs 3:7
Waarvan ik een dienaar geworden ben, naar de gave der genade Gods,
die mij gegeven is, naar de werking Zijner kracht.
Efeziėrs 4:7
Maar aan elkeen van ons is de genade gegeven, naar de maat der gave van Christus.
Hebreeėn 6:4
Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn,
en de hemelse gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn,
Doma, G1390, 4x = een cadeau. 
Matt 7:11
Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven,
hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede [gaven] geven dengenen,
die ze van Hem bidden!
Luk 11:13
Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven,
hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen,
die Hem bidden?
Efez 4:8
Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte,   
heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den mensen gaven gegeven.
Filipp 4:17
Niet dat ik de gave zoek, maar ik zoek de vrucht, die overvloedig is tot uw rekening.
Dorema, G1434, 2x = een begiftiging.
Romeinen 5:16
En niet,gelijk de schuld was door den één,
die gezondigd heeft,
alzo is de gift;
want de schuld is wel uit één misdaad tot verdoemenis,
maar de genadegift is uit vele misdaden tot rechtvaardigmaking..
Jakobus 1:17
Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van den Vader der lichten afkomende,
bij Welken geen verandering is, of schaduw van omkering.
Dosis, G1394, 2xm = 1. een geven. 2. (impliciet, concreet) een geschenk.
Filip 4:15. en ook gij, Filippensen,
weet
, dat in het begin des Evangelies, toen ik van Macedonie vertrokken ben,
geen Gemeente mij [iets] medegedeeld heeft tot rekening van uitgaaf en ontvangst,
dan gij alleen.
Jak 1:17
Alle goede gave en alle volmaakte gifte is van boven, van den Vader der lichten afkomende, bij Welken geen verandering is, of schaduw van omkering.