Legenda
Kakos, (KakŰs) G2560, 16x
1. kwalijk, slecht.
2. (figuurlijk, fysiek) ziekelijk.
3. (figuurlijk, moreel) (het) kwaad hebben.
4. (bij uitbreiding) zwaar,(verkeerd) in nood.
MattheŁs 4:24
En Zijn gerucht ging van daar uit in geheel SyriŽ; en zij brachten tot Hem allen,
tabdie kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde,
taben van den duivel bezeten, en maanzieken en geraakten; en Hij genas dezelve.
MattheŁs 8:16; Marcus 1:32
En als het laat geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot Hem gebracht,
taben Hij wierp de boze geesten uit met den woorde,
taben Hij genas allen, die kwalijk gesteld waren;
MattheŁs 9:12; Marcus 2:17;Lukas 5:31
Maar Jezus, zulks horende, zeide tot hen:
tabDie gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn.
tabtabIk ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.
Luk. 5:32
tabIk ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering.
MattheŁs 14:35; Marcus 6:55
En als de mannen van die plaats Hem werden kennende, zonden zij in dat gehele omliggende land,
taben brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren;
MattheŁs 15:22
En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere!
tabGij Zone Davids, ontferm U mijner! mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten.
MattheŁs 17:15
Heere! ontferm U over mijn zoon; want hij is maanziek, en is in zwaar lijden;
tabwant menigmaal valt hij in het vuur, en menigmaal in het water.
MattheŁs 21:41
Zij zeiden tot hem: Hij zal den kwaden een kwaden dood aandoen,
taben zal den wijngaard aan andere landlieden verhuren,
tabtabdie hem de vruchten op haar tijden zullen geven.
Marcus 1:34
En Hij genas er velen, die door verscheidene ziekten kwalijk gesteld waren;
taben wierp vele duivlen uit, en liet de duivelen niet toe te spreken, omdat zij Hem kenden.
Lukas 7:2
En een dienstknecht van een zeker hoofdman over honderd,
tabdie hem zeer waard was, krank zijnde, lag op zijn sterven.
Johannes 18:23
Jezus antwoordde hem: Indien Ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade;
taben indien wel, waarom slaat gij Mij?
Handelingen 23:5
En Paulus zeide: Ik wist niet, broeders! dat het de hogepriester was; want er is geschreven:
tabDen overste uws volks zult gij niet vloeken.
Jakobus 4:3
Gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uw wellusten doorbrengen zoudt.