Katakrima, G2631, 3x vetgroen geeft een flip-over
een negatieve uitspraak (het vonnis).
Romeinen 5:16
En niet, gelijk de schuld was door den een, die gezondigd heeft, alzo is de gift;
want de schuld is wel uit een misdaad tot verdoemenis,
maar de genadegift is uit vele misdaden tot rechtvaardigmaking.
Romeinen 5:18
Zo dan, gelijk door een misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis;
alzo ook door een rechtvaardigheid komt de genade over alle mensen
tot rechtvaardigmaking des levens.
Romeinen 8:1
Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen,
die in Christus Jezus zijn,
die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.
Katakrisis, G2633, 2x =  een negatieve veroordeling (de daad).
2 KorinthiŽrs 3:9
Want indien de bediening der verdoemenis heerlijkheid geweest is,
veel meer is de bediening der rechtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid.
2 KorinthiŽrs 7:3
Ik zeg dit niet tot uw veroordeling; want ik heb te voren gezegd, dat gij in onze harten zijt,
om samen te sterven en samen te leven.
Autokatakritos, G843, 1x = bij zichzelf veroordeeld.
Titus 3:11
Wetende, dat de zodanige verkeerd is, en zondigt, zijnde bij zichzelf veroordeeld.
Katakrino, G2632, 19x = beoordelen tegen, vonnissen.
MattheŁs 12:41; Marcus 16:16; Lukas 11:31
De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht,
en zullen hetzelve veroordelen;
want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jona is hier!
MattheŁs 12:42; Lukas 11:32
De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht,
en hetzelve veroordelen; want zij is gekomen van het einde der aarde,
om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier!
MattheŁs 20:18
Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem,
en de Zoon des mensen zal den overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden,
en zij zullen Hem ter dood veroordelen;
MattheŁs 27:3
Toen heeft Judas, dien Hem verraden had, ziende, dat Hij veroordeeld was, berouw gehad,
en heeft de dertig zilveren penningen den overpriesters en den ouderlingen wedergebracht,
Marcus 10:33
Zeggende: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem,
en de Zoon des mensen zal den overpriesteren,
en den Schriftgeleerden overgeleverd worden,
en zij zullen Hem ter dood veroordelen,
en Hem den heidenen overleveren;
Marcus 14:64
Gij hebt de gods lastering gehoord; wat dunkt ulieden?
En zij allen veroordeelden Hem, des doods schuldig te zijn.
Marcus 16:16
Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal alig worden;
maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.
Johannes 8:10-11
En Jezus, Zich oprichtende, en niemand ziende dan de vrouw, zeide tot haar:
Vrouw, waar zijn deze uw beschuldigers?
Heeft u niemand veroordeeld?
En zij zeide: Niemand, Heere! En
Jezus zeide tot haar: Zo veroordeel Ik u ook niet; ga heen, en zondig niet meer.
Handelingen 13:27
Want die te Jeruzalem wonen, en hun oversten,
Dezen niet kennende, hebben ook de stemmen der profeten,
die op elken sabbat dag gelezen worden, Hem veroordelende, vervuld;
Romeinen 2:1
Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij zijt, die anderen oordeelt;
want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelven;
want gij, die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen.
Romeinen 8:3
Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was,
heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses,
en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees.
Rom 8:34
Wie is het, die verdoemd?
Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is,
Die ook ter rechter [hand] Gods is, Die ook voor ons bidt.
Romeinen 14:23
Maar die twijfelt, indien hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet.
En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde.
1 KorinthiŽrs 11:32
Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd,
opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.
HebreeŽn 11:7
Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen,
die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde,
de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin;
door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld,
en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid, die naar het geloof is.
Jakobus 5:9
Zucht niet tegen elkander, broeders,
opdat gij niet veroordeeld wordt; ziet, de Rechter staat voor de deur.
2 Petrus 2:6
En de steden van Sodoma en Gomorra tot as verbrandende met omkering veroordeeld heeft,
en tot een voorbeeld gezet dengenen, die goddelooslijk zouden leven;
Krisis, G2920, 47x
1. Besluit (subjectief of objectief, voor of tegen).
2. (bij uitbreiding) een tribunaal.
3. (impliciet) rechtvaardigheid (vooral de goddelijke wet).
MattheŁs 5:21
Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doden;
maar zo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht.
MattheŁs 5:22
Doch Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is,
die zal strafbaar zijn door het gericht;
en wie tot zijn broeder zegt: Raka!
die zal strafbaar zijn door den groten raad;
maar wie zegt: Gij dwaas!
die zal strafbaar zijn door het helse vuur.
MattheŁs 10:15; MattheŁs 11:22; MattheŁs 11:24; Lukas 10:14
Doch Ik zeg u: Het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in den dag des oordeels, dan ulieden.
MattheŁs 12:18
Ziet, Mijn Knecht,
Welken Ik verkoren heb,
Mijn Beminde,
in Welken Mijn ziel een welbehagen heeft;
Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel den heidenen verkondigen.
MattheŁs 12:20
Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen,
totdat Hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning.
MattheŁs 12:36
Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de mensen zullen gesproken hebben,
zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels.
MattheŁs 12:41; Lukas 11:31
De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht,
en zullen hetzelve veroordelen;
want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jona is hier!
MattheŁs 12:42; Lukas 11:32
De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht,
en hetzelve veroordelen; want zij is gekomen van het einde der aarde,
om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier!
MattheŁs 23:14
Wee u, gij Schriftgeleerden en FarizeŽn, gij geveinsden,
want gij eet de huizen der weduwen op, en dat onder den schijn van lang te bidden;
daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen.
MattheŁs 23:23
Wee u, gij Schriftgeleerden en FarizeŽn, gij geveinsden,
want gij vertient de munte, en de dille, en den komijn, en gij laat na het zwaarste der wet,
namelijk het oordeel,
en de barmhartigheid,
en het geloof.
Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten.
MattheŁs 23:33
Gij slangen, gij adderengebroedsels! hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvlieden?
Marcus 3:29
Maar zo wie zal gelasterd hebben tegen den Heiligen Geest,
die heeft geen vergeving in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels.
Marcus 6:11
En zo wie u niet zullen ontvangen, noch u horen, vertrekkende van daar,
schudt het stof af, dat onder aan uw voeten is, hun tot een getuigenis.
Voorwaar zeg Ik u:
Het zal Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan dezelve stad.
Lukas 11:42
Maar wee u, FarizeŽn,
want gij vertient munte, en ruite, en alle moeskruid, en gij gaat voorbij
het oordeel
en de liefde Gods.
Dit moest men doen, en het andere niet nalaten.
Johannes 3:19
En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is,
en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos.
Johannes 5:22
Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven;
Johannes 5:24 NBG51
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u,
wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft,
heeft eeuwig leven en
komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven.
Johannes 5:24 SV en HSV
Voorwaar, voorwaar zeg Ik u:
Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft,
die heeft het eeuwige leven, en
komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.
Johannes 5:29
En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens,
en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis.
Johannes 5:30
Ik kan van Mijzelven niets doen.
Gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig;
want Ik zoek niet Mijn wil, maar den wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft.
Johannes 7:24
Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel.
Johannes 8:16
En indien Ik ook oordeel, Mijn oordeel is waarachtig;
want Ik ben niet alleen, maar Ik en de Vader, Die Mij gezonden heeft.
Johannes 12:31
Nu is het oordeel dezer wereld; nu zal de overste dezer wereld buiten geworpen worden.
Johannes 12:47
En indien iemand Mijn woorden gehoord, en niet geloofd zal hebben,
Ik oordeel hem niet; want Ik ben niet gekomen, opdat Ik de wereld oordele,
maar opdat Ik de wereld alig make.
Johannes 16:8
En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel:
Johannes 16:11
En van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is.
Handelingen 8:33
In Zijn vernedering is Zijn oordeel weggenomen; en wie zal Zijn geslacht verhalen?
Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen.
2 Thessalonicensen 1:5
Een bewijs van Gods rechtvaardig oordeel,
opdat gij waardig geacht wordt het Koninkrijk Gods, voor hetwelk gij ook lijdt;.
1 TimotheŁs 5:24
Van sommige mensen zijn de zonden te voren openbaar,
en gaan voor tot hun veroordeling;
en in sommigen ook volgen zij na.
HebreeŽn 9:27
En gelijk het den mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel;
HebreeŽn 10:27
Maar een schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs,
dat de tegenstanders zal verslinden.
Jakobus 2:13
Want een onbarmhartig oordeel zal gaan over dengene, die geen barmhartigheid gedaan heeft;
en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel.
2 Petrus 2:4
Want indien God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft,
maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis,
om tot het oordeel bewaard te worden;
2 Petrus 2:9
Zo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen,
en de onrechtvaardigen te bewaren tot den dag des oordeels, om gestraft te worden;
2 Petrus 2:11
Daar de engelen in sterkte en kracht meerder zijnde,
geen lasterlijk oordeel tegen hen voor den Heere voortbrengen.
2 Petrus 3:7
Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd,
en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels, en der verderving der goddeloze mensen.
1 Johannes 4:17
Hierin is de liefde bij ons volmaakt,
opdat wij vrijmoedigheid mogen hebben in den dag des oordeels,
namelijk dat gelijk Hij is, wij ook zijn in deze wereld.
Judas 1:6
En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben,
heeft Hij tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.
Judas 1:9
Maar MichaŽl, de archangel, toen hij met den duivel twistte,
en handelde van het lichaam van Mozes,
durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen,
maar zeide: De Heere bestraffe u!
Judas 1:15
Om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddelozen onder hen,
vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben,
en vanwege al de harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.
Openbaring 14:7
Zeggende met een grote stem: Vreest God, en geeft Hem heerlijkheid,
want de ure Zijns oordeels is gekomen; en aanbidt Hem,
Die den hemel, en de aarde, en de zee, en de fonteinen der wateren gemaakt heeft.
Openbaring 16:7 En ik hoorde een anderen van het altaar zeggen:
Ja, Heere, Gij almachtige God! Uwe oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig. 
Openbaring 18:10
Van verre staande uit vreze van haar pijniging, zeggende:
Wee, wee, de grote stad Babylon, de sterke stad, want uw oordeel is in een ure gekomen.
Openbaring 19:2 Want Zijn oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig;
dewijl Hij de grote hoer geoordeeld heeft, die de aarde verdorven heeft met haar hoererij,
en Hij het bloed Zijner dienaren van haar hand gewroken heeft.
Katadikazo, G2613, 4x tegen beslissen, dat wil zeggen schuldig uit te spreken.
MattheŁs 12:7
Doch zo gij geweten hadt, wat het zij:
Ik wil barmhartigheid en niet offerande, gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeldhebben.
MattheŁs 12:37
Want uit uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult gij veroordeeldworden.
Lukas 6:37
En oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en gij zult niet verdoemdworden; laat los, en gij zult losgelaten worden.
Jakobus 5:6
Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood den rechtvaardige; en hij wederstaat u niet.
Krima, G2917, 28x = een besluit (de functie of het effect, voor of tegen ( ďmisdaadĒ)).
MattheŁs 7:2
Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden;
en met welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden.
MattheŁs 23:14; Marcus 12:40; Lukas 20:47
Wee u, gij Schriftgeleerden en FarizeŽn, gij geveinsden,
want gij eet de huizen der weduwen op, en dat onder den schijn van lang te bidden;
daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen.
Lukas 23:40
Maar de andere, antwoordende, bestrafte hem, zeggende:
Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt?
Lukas 24:20
En hoe onze overpriesters en oversten Denzelven overgeleverd hebben tot het oordeel des doods,
en Hem gekruisigd hebben.
Johannes 8:15
Gij oordeelt naar het vlees; Ik oordeel niemand.
Johannes 9:39
En Jezus zeide: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen,
opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden.
Handelingen 24:25
En als hij handelde van rechtvaardigheid, en matigheid, en van het toekomende oordeel, Felix,
zeer bevreesd geworden zijnde, antwoordde:
Voor ditmaal ga heen; en als ik gelegenen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen.
Romeinen 2:2
En wij weten, dat het oordeel Gods naar waarheid is, over degenen, die zulke dingen doen.
Romeinen 2:3
En denkt gij dit, o mens, die oordeelt dengenen, die zulke dingen doen, en dezelve doet,
dat gij het oordeel Gods zult ontvlieden?
Romeinen 2:5
Maar naar uw hardigheid, en onbekeerlijk hart, vergadert gij uzelven toorn als een schat,
in den dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods.
Romeinen 3:8
En zeggen wij niet liever (gelijk wij gelasterd worden, en gelijk sommigen zeggen, dat wij zeggen):
Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome?
Welker verdoemenis rechtvaardig is.
Romeinen 5:16
En niet, gelijk de schuld was door den een, die gezondigd heeft, alzo is de gift;
want de schuld is wel uit een misdaad tot verdoemenis,
maar de genadegift is uit vele misdaden tot rechtvaardigmaking.
Romeinen 5:18
Zo dan, gelijk door een misdaad [de schuld] gekomen is over alle mensen tot verdoemenis;
alzo ook door een rechtvaardigheid komt de genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens.
Romeinen 11:33
O diepte des rijkdoms,
beide der wijsheid en der kennis Gods,
hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!
Romeinen 13:2
Alzo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie van God wederstaat;
en die ze wederstaan, zullen over zichzelven een oordeel halen.
1 KorinthiŽrs 6:7
Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat gij met elkander rechtzaken hebt.
Waarom lijdt gij niet liever ongelijk? Waarom lijdt gij niet liever schade?
1 KorinthiŽrs 11:29
Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel,
niet onderscheidende het lichaam des Heeren.
1 KorinthiŽrs 11:34
Doch zo iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat gij niet tot een oordeel samenkomt.
De overige dingen nu zal ik verordenen, als ik zal gekomen zijn.
Galaten 5:10
Ik vertrouw van u in den Heere, dat gij niet anders zult gevoelen;
maar die u ontroert, zal het oordeel dragen, wie hij ook zij.
1 TimotheŁs 3:6
Geen nieuweling, opdat hij niet opgeblazen worde, en in het oordeel des duivels valle.
1 TimotheŁs 5:12
Hebbende haar oordeel, omdat zij haar eerste geloof hebben te niet gedaan.
HebreeŽn 6:2
Van de leer der dopen,
en van de oplegging der handen, en van de opstanding der doden, en van het eeuwig oordeel
Jakobus 3:1
Zijt niet vele meesters, mijn broeders, wetende, dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen.
1 Petrus 4:17
Want het is de tijd, dat het oordeel beginne van het huis Gods; en indien het eerst van ons begint,
welk zal het einde zijn dergenen, die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn?
2 Petrus 2:3
En zij zullen door gierigheid, met gemaakte woorden, van u een koopmanschap maken;
over welke het oordeel van over lang niet ledig is, en hun verderf sluimert niet.
Judas 1:4
Want er zijn sommige mensen ingeslopen,
die eertijds tot ditzelfde oordeel te voren opgeschreven zijn,
goddelozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid,
en den enigen Heerser, God, en onzen Heere Jezus Christus verloochenen.
Openbaring 17:1
En een uit de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, kwam en sprak met mij, en zeide tot mij:
Kom herwaarts, ik zal u tonen het oordeel der grote hoer, die daar zit op vele wateren;
Openbaring 18:20
Bedrijft vreugde over haar, gij hemel, en gij heilige apostelen, en gij profeten,
want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld.
Openbaring 20:4
En ik zag tronen, en zij zaten op dezelve; en het oordeel werd hun gegeven;
en ik zag de zielen dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus,
en om het Woord Gods,
en die het beest, en deszelfs beeld niet aangebeden hadden,
en die het merkteken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand;
en zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren.
Krino, G2919, 113x in 97 verzen
1. (goed) te onderscheiden, d.w.z. beslist (geestelijk of juridisch).
2. (impliciet) te testen, te veroordelen, te straffen.
                 oordeel

Parenochleo, G3926, 1x = verder lastig te vallen, d.w.z. ergeren. 
o.a. Matt 5:40
En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook den mantel;
Handelingen 15:19
Daarom oordeel ik, dat men degenen, die uit de heidenen zich tot God bekeren, niet beroere;
Handelingen 16:4
En alzo zij de steden doorreisden, gaven zij hun de verordeningen over, die van de apostelen en de ouderlingen te Jeruzalem goed gevonden waren, om die te onderhouden.
Handelingen 21:25
Doch van de heidenen, die geloven, hebben wij geschreven en goed gevonden, dat zij niets dergelijks zouden onderhouden, dan dat zij zich wachten van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij.
1 Kor 2:2
Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.
2 Kor 2:1
Maar ik heb dit bij mijzelven voorgenomen, dat ik niet wederom in droefheid tot u komen zou.
Kol 2:16
Dat u dan niemand oordele in spijs of in drank,
of in het stuk des feest [dags], of der nieuwe maan, of der sabbatten;
2 Tim 4:1
Ik betuig dan voor God en den Heere Jezus Christus,
Die de levenden en doden oordelen zal in Zijn verschijning en [in] Zijn Koninkrijk:
Tit 3:12
Als ik Artemas tot u zal zenden, of Tychikus,
zo benaarstig u tot mij te komen te Nikůpolis; want aldaar heb ik voorgenomen te overwinteren.
Hupokrisis, G5272, 7x
1. handelend onder een voorgewend deel (d.w.z. toneelspel, hypocrisie).
2. (figuurlijk) hypocrisie, veinzend morele karakter, bedrog.
MattheŁs 23:28
Alzo ook schijnt gij wel den mensen van buiten rechtvaardig,
maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtigheid.
Marcus 12:15
En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen:
Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie.
Lukas 12:1
Daarentussen als vele duizenden der schare bijeenvergaderd waren,
zodat zij elkander vertraden, begon Hij te zeggen tot Zijn discipelen:
Vooreerst wacht uzelven voor den zuurdesem der FarizeŽn, welke is geveinsdheid.
Galaten 2:13
En ook de andere Joden veinsden met hem;
alzo dat ook Barnabas mede afgetrokken werd door hun veinzing.
1 TimotheŁs 4:2
Door geveinsdheid der leugensprekers,
hebbende hun eigen geweten als met een brandijzer toegeschroeid;
Jakobus 5:12 
Doch voor alle dingen, mijn broeders, zweert niet, noch bij den hemel, noch bij de aarde,
noch enigen anderen eed; maar uw ja, zij ja, en het neen, neen;
opdat gij in geen oordeel valt.
1 Petrus 2:1
Zo legt dan af alle kwaadheid, en alle bedrog, en geveinsdheid, en nijdigheid, en alle achterklappingen;
Anakrino, G350, 15x
1. (goed) navorsen, ( nauwkeurig onderzoeken ).
2. (impliciet) onderzoeken, ondervragen, bepalen.
Lukas 23:14
Gij hebt dezen Mens tot mij gebracht, als een, die het volk afkerig maakt;
en ziet, ik heb Hem in uw tegenwoordigheid ondervraagd,
en heb in dezen Mens geen schuld gevonden, van hetgeen daar gij Hem mede beschuldigt;
Handelingen 4:9
Alzo wij heden rechterlijk onderzocht worden over de weldaad aan een krank mens geschied,
waardoor hij gezond geworden is;
Handelingen 12:19
En als Herodes hem gezocht had, en niet vond, en de wachters rechtelijk ondervraagd had,
gebood hij, dat zij weggeleid zouden worden.
En hij vertrok van Judea naar Cesarea, en hield zich aldaar.
Handelingen 17:11
En dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren,
als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften,
of deze dingen alzo waren.
Handelingen 24:8
Gebiedende zijn beschuldigers tot u te komen; van dewelken gij zelf, hem onderzocht hebbende,
zult kunnen verstaan al hetgeen, waarvan wij hem beschuldigen.
Handelingen 28:18
Dewelken, mij onderzocht hebbende, wilden mij loslaten, omdat geen schuld des doods in mij was.
1 KorinthiŽrs 2:14
Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn;
want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan,
omdat zij geestelijk onderscheiden worden.
1 KorinthiŽrs 2:15
Doch de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden.
1 KorinthiŽrs 4:3
Doch mij is voor het minste, dat ik van ulieden geoordeeld worde,
of door van een de menselijk dag oordeel;
ja, ik oordeel ook mijzelven niet.
1 KorinthiŽrs 4:4
Want ik ben mijzelven van geen ding bewust;
doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar Die mij oordeelt, is de Heere.
1 KorinthiŽrs 9:3
Mijn verantwoording aan degenen, die onderzoek over mij doen, is deze.
1 KorinthiŽrs 10:25
Eet al wat in het vleeshuis verkocht wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil;
1 KorinthiŽrs 10:27
En indien u iemand van de ongelovigen noodt, en gij daar gaan wilt, eet al wat ulieden voorgesteld wordt,
niets ondervragende, om des gewetens wil.
1 KorinthiŽrs 14:24
Maar indien zij allen profeteerden, en een ongelovige of ongeleerde inkwame,
die wordt van allen overtuigd, en hij wordt van allen geoordeeld.