kinderkens
Teknion, G5040, 9x
1. een baby (een onmondige).
2. (meervoud figuratief) lievelingen
            (gelovige bekeerlingen).
kinderen
Teknon G5043, 91x
een kind (voortgebracht).
Johannes 13:33
Kinderkens, nog een kleinen tijd ben Ik bij u.
Gij zult Mij zoeken, en gelijk Ik den Joden gezegd heb:
Waar Ik heenga, kunt gij niet komen; alzo zeg Ik ulieden nu ook.
Galaten 4:19
Mijn kinderkens, die ik wederom arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge.
1 Johannes 2:1
Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt.
En indien iemand gezondigd heeft,
wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige;
1 Johannes 2:12
Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om Zijns Naams wil.
1 Johannes 2:18
Kinderkens, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat de antichrist komt,
zo zijn ook nu vele antichristen geworden; waaruit wij kennen, dat het de laatste ure is.
1 Johannes 2:28
En nu, kinderkens, blijft in Hem; opdat, wanneer Hij zal geopenbaard zijn,
wij vrijmoedigheid hebben, en wij van Hem niet beschaamd gemaakt worden in Zijn toekomst.
1 Johannes 3:7
Kinderkens, dat u niemand verleide. Die de rechtvaardigheid doet, die is rechtvaardig,
gelijk Hij rechtvaardig is.
1 Johannes 3:18
Mijn kinderkens, laat ons niet liefhebben met den woorde,
noch met de tong, maar met de daad en waarheid.
1 Johannes 4:4
Kinderkens, gij zijt uit God, en hebt hen overwonnen;
want Hij is meerder, Die in u is, dan die in de wereld is.
1 Johannes 5:21
Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden. Amen.

Nepios, G3516, 15x
1. (letterlijk) "geen woord", niet (kunnen) spreken.
2. (gebruikt als zn) een kind.
3. (goed) een klein kind.
4. (ook) een minderjarige (onvolwassene).
5. (figuurlijk) een eenvoudig persoon.
6. (speciaal) een onvolwassen christen.

MattheŁs 21:16
En zeiden tot Hem: Hoort Gij wel, wat dezen zeggen?
En Jezus zeide tot hen: Ja; hebt gij nooit gelezen:
Uit den mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt Gij U lof toebereid?
MattheŁs 11:25; Lukas 10:21
Te dier ure verheugde Zich Jezus in den geest, en zeide:
Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde;
dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt,
en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard;
ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U.
Romeinen 2:20
Een onderrichter der onwijzen, en een leermeester der onwetenden,
hebbende de gedaante der kennis en der waarheid in de wet.
Galaten 4:1
Doch ik zeg, zo langen tijd als de erfgenaam een kind is,
zo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles;
Galaten 4:3
Alzo wij ook, toen wij kinderen waren,
zo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der wereld.
1 KorinthiŽrs 3:1
En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken,
maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus.
1 KorinthiŽrs 13:11
Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind;
maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was.
EfeziŽrs 4:14
Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn,
die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer,
door de bedriegerij der mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen;
HebreeŽn 5:13
Want een iegelijk, die der melk deelachtig is,
die is onervaren in het woord der gerechtigheid; want hij is een kind.
Asunetos, G801, 5x
1. niet intelligent.
2. (impliciet) slecht.
MattheŁs 15:16
Maar Jezus zeide: Zijt ook gijlieden alsnog onwetende?
Marcus 7:18
En Hij zeide tot hen: Zijt ook gij alzo onwetende?
Verstaat gij niet, dat al wat van buiten in den mens ingaat, hem niet kan ontreinigen?
Romeinen 1:21
Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt;
maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en
hun onverstandig hart is verduisterd geworden;
Romeinen 1:31
Onverstandigen, verbondbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen;
Romeinen 10:19
Maar ik zeg: Heeft IsraŽl het niet verstaan?
Mozes zegt eerst: Ik zal ulieden tot jaloersheid verwekken door degenen, die geen volk zijn;
door een onverstandig volk zal ik u tot toorn verwekken.
Agnoia, G52, 4x
1. onwetendheid.
2. (goed) de graad of de staat van onwetendheid.
Handelingen 3:17
En nu, broeders, ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uw oversten.
Handelingen 17:30
God dan, de tijden der onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu allen mensen alom, dat zij zich bekeren.
EfeziŽrs 4:18
verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods,
door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten; 
1 Petrus 1:14
Als gehoorzame kinderen, wordt niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden,
die te voren in uw onwetendheid waren;
Agnosia, G56, 2x
1. onwetendheid.
2. (goed) de staat van onwetendheid.
1 KorinthiŽrs 15:34
Waakt op rechtvaardiglijk, en zondigt niet.
Want sommigen hebben de kennis van God niet. Ik zeg het u tot schaamte.
1 Petrus 2:15
Want alzo is het de wil van God, dat gij, weldoende,
den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze mensen;
Aphron, G878, 11x
1. (letterlijk) verstandeloos, zonder begrip.
2. (behoorlijk) gebrek aan oordeelsvermogen of voorzichtigheid, onvoorzichtig, onredelijk.
3. (impliciet) zorgeloos, gedachteloos, impulsief.
4. (vrijwel) onstuimig, onbezonnen.
5. (speciaal) egoÔstisch.
Lukas 11:40
Gij onverstandigen! Die het buitenste heeft gemaakt, heeft Hij ook niet het binnenste gemaakt?
Lukas 12:20
Maar God zeide tot hem:
Gij dwaas! in dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn?
Romeinen 2:20
Een onderrichter der onwijzen, en een leermeester der onwetenden,
hebbende de gedaante der kennis en der waarheid in de wet.
1 KorinthiŽrs 15:36
Gij dwaas, hetgeen gij zaait, wordt niet levend, tenzij dat het gestorven is;
2 KorinthiŽrs 11:16
Ik zeg wederom, dat niemand mene, dat ik onwijs ben; doch zo niet,
neemt mij dan aan als een onwijze, opdat ik ook een weinig moge roemen.
2 KorinthiŽrs 11:19
Want gij verdraagt gaarne de onwijzen, dewijl gij wijs zijt.
2 KorinthiŽrs 12:6
Want zo ik roemen wil, ik zal niet onwijs zijn,
want ik zal de waarheid zeggen; maar ik houde daarvan af,
opdat niemand van mij denke boven hetgeen hij ziet, dat ik ben, of dat hij uit mij hoort.
2 KorinthiŽrs 12:11
Ik ben roemende onwijs geworden; gij hebt mij genoodzaakt,
want ik behoorde van u geprezen te zijn;
want ik ben in geen ding minder geweest dan de uitnemendste apostelen,
hoewel ik niets ben.
EfeziŽrs 5:17
Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat, welke de wil des Heeren zij.
1 Petrus 2:15
Want alzo is het de wil van God, dat gij, weldoende,
den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze mensen;
Brephos, G1025, 8x = een baby, (correct) ongeboren.
Lukas 1:41
En het geschiedde, als Elizabet de groetenis van Maria hoorde,
zo sprong het kindeken op in haar buik; en Elizabet werd vervuld met den Heiligen Geest;
Lukas 1:44
Want zie, als de stem uwer groetenis in mijn oren geschiedde,
zo sprong het kindeken van vreugde op in mijn buik.
Lukas 2:12
En dit zal u het teken zijn:
gij zult het Kindeken vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbe.
Lukas 2:16
En zij kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef, en het Kindeken liggende in de kribbe.
Lukas 18:15
En zij brachten ook de kinderkens tot Hem,
opdat Hij die zou aanraken; en de discipelen, dat ziende, bestraften dezelve.
Handelingen 7:19
Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen,
zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voorttelen.
2 TimotheŁs 3:15
En dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt,
die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is.
1 Petrus 2:2
En, als nieuwgeborene kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk,
opdat gij door dezelve moogt opwassen;
Teknon G5043, 91x
een kind (voortgebracht).

Neaniskosm, G3495, 10x,
een jeugdige (onder de veertig).
(H)SV: jongeling(en)
Paidion, G3813, 48x
1. een jong kind (van beide geslachten).
2. (goed) een baby.
3. (bij uitbreiding) een half volwassen jongen of meisje.
4. (figuurlijk) een onvolwassen christen.
 
Pais, G3816, 24x
1. een jongen (van een leeftijd zoals men straffeloos sloeg).
2. (naar analogie) een meisje.
3. (genitief geval) een kind.
4. (speciaal) een slaaf of dienaar.
5. (vooral) een dienaar van een koning.
6. (bij uitstek) een dienaar van God.
MattheŁs 2:16
Als Herodes zag, dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en enigen afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al deszelfs landpalen waren, van twee jaren oud en daaronder, naar den tijd, dien hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had.
MattheŁs 8:6
En zeggende: Heere! mijn knecht ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen.
MattheŁs 8:8
En de hoofdman over honderd, antwoordende, zeide: Heere! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen; maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden.
MattheŁs 8:13
En Jezus zeide tot den hoofdman over honderd: Ga heen, en u geschiede, gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden te dierzelver ure.
MattheŁs 12:18
Ziet, Mijn Knecht, Welken Ik verkoren  heb, Mijn Beminde, in Welken Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel den heidenen verkondigen.
19 Hij zal niet twisten, noch roepen, noch zal er iemand Zijn stem op de straten horen.
20 Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen, totdat Hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning.
21 En in Zijn Naam zullen de heidenen hopen.
Matt 14:2
En zeide tot zijn knechten: Deze is Johannes de Doper; hij is opgewekt van de doden, en daarom werken die krachten in Hem.
Matt 17:18
En Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af.
Matt 21:15
Als nu de overpriesters en Schriftgeleerden zagen de wonderheden, die Hij deed, en de kinderen, roepende in den tempel, en zeggende: Hosanna den Zone Davids! namen zij dat zeer kwalijk;
Lukas 1:54
Hij heeft IsraŽl, Zijn knecht, opgenomen, opdat Hij gedachtig ware der barmhartigheid.
Lukas 1:69
En heeft een hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht;
Lukas 2:43
En de dagen aldaar voleindigd hadden, toen zij wederkeerden, bleef het Kind Jezus te Jeruzalem, en Jozef en Zijn moeder wisten het niet.
Lukas 7:7
Daarom heb ik ook mijzelven niet waardig geacht, om tot U te komen; maar zeg het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden.
Luk 8:51
En als Hij in het huis kwam, liet Hij niemand inkomen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, en den vader en de moeder des kinds.
Luk 8:54
Maar als Hij ze allen uitgedreven had, greep Hij haar hand en riep, zeggende: Kind, sta op!
Luk 9:42
En nog, als hij [naar Hem] toekwam, scheurde hem de duivel, en verscheurde [hem]; maar Jezus bestrafte den onreinen geest, en maakte het kind gezond, en gaf hem zijn vader weder.
Joh 4:51
En als hij nu afging, kwamen hem zijn dienstknechten tegemoet,
en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft!
Handelingen 3:13
De God Abrahams, en Izaks, en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, Welken gij overgeleverd hebt, en hebt Hem verloochend, voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde, dat men Hem zoude loslaten.
Handelingen 3:26
God, opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Denzelven eerst tot u gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden.
Handelingen 4:25
Die door den mond van David Uw knecht, gezegd hebt: Waarom woeden de heidenen, en hebben de volken ijdele dingen bedacht?
Handelingen 4:27
Want in der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken Gij gezalfd hebt, beiden Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken IsraŽls;
Handelingen 4:30
Daarin, dat Gij Uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen geschieden door den Naam van Uw heilig Kind Jezus.
Handelingen 20:12
En zij brachten den knecht levende, en waren bovenmate vertroost.