Oikonomia, G3622, 9x  
Engels, Frans en Latijn: dispensatio(n)
1. Administratie (van een huishouden of goed)
2. (Speciaal) een (religieuze) ''economie''
Luk 16
2 En hij riep hem, en zeide tot hem: Hoe hoor ik dit van u?
Geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn.
3 En de rentmeester zeide bij zichzelven:
Wat zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt?
Graven kan ik niet; te bedelen schaam ik mij.
4 Ik weet, wat ik doen zal, opdat, wanneer ik van het rentmeesterschap afgezet zal wezen,
zij mij in hun huizen ontvangen.
1 KorinthiŽrs 9:17
Want indien ik dat gewillig doe, zo heb ik loon,
maar indien onwillig, de uitdeling is mij evenwel toebetrouwd.
EfeziŽrs 1:10
Om in de bedeling van de volheid der tijden,
wederom alles tot een te vergaderen in Christus, beide dat in den hemel is, en dat op de aarde is;
EfeziŽrs 3:2
Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u;
EfeziŽrs 3:9
en allen [mensen] te verlichten, [dat zij mogen verstaan]
welke de bedeling [gemeenschap] der verborgenheid zij, 
die van alle eeuwen verborgen is geweest in God,   
Kolossensen 1:25
Welker dienaar ik geworden ben, naar de bedeling van God, die mij gegeven is aan u,
om te vervullen het Woord Gods;
1Tim 1:4
noch zich te begeven tot fabelen en oneindelijke geslachtsrekeningen,
welke meer [twist]vragen voortbrengen dan de bedeling [stichting] Gods,
Oikonomos, G3623, 10x
1. een huis of landgoedmanager (toezichthouder)
2. (bij uitbreiding) een fiscaal agent (penningmeester).
3. (figuurlijk) een bediende (van het Evangelie, Zijn gaven of Zijn waarheden).
Lukas 12:42
En de Heere zeide: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huisbezorger,
dien de heer over zijn dienstboden zal zetten, om hun ter rechter tijd het bescheiden deel spijze te geven?
Lukas 16:1-3
En Hij zeide ook tot Zijn discipelen: Er was een zeker rijk mens, welke een rentmeester had;
en deze werd bij hem verklaagd, als die zijn goederen doorbracht en hij riep hem, en zeide tot hem:
Hoe hoor ik dit van u?
Geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn.
En de rentmeester zeide bij zichzelven:
Wat zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt?
Graven kan ik niet; te bedelen schaam ik mij, ik weet, wat ik doen zal,
opdat, wanneer ik van het rentmeesterschap afgezet zal wezen, zij mij in hun huizen ontvangen.
Lukas 16:8
En de heer prees den onrechtvaardigen rentmeester, omdat hij voorzichtiglijk gedaan had;
want de kinderen zonen dezer wereld zijn voorzichtiger, dan de kinderen zonen des lichts, in hun geslacht.
Romeinen 16:23
U groet Gajus, de huiswaard van mij en van de gehele Gemeente.
U groet Erastus, de huiswaard der stad, en de broeder Quartus.
1 KorinthiŽrs 4:1-2
Alzo houde ons een ieder mens, als dienaars van Christus,
en uitdelers der verborgenheden Gods en voorts wordt in de uitdelers vereist,
dat elk getrouw bevonden worde.
Galaten 4:2
Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader te voren gesteld.
Titus 1:7
want een opziener moet onberispelijk zijn als een huisverzorger Gods,
niet eigenzinnig,
niet genegen tot toornigheid,
niet genegen tot den wijn,
geen smijter,
geen vuil-gewinzoeker;
1 Petrus 4:10
Een iegelijk, gelijk hij gave ontvangen heeft, alzo bediene hij dezelve aan de anderen,
als goede uitdelers der menigerlei genade Gods.
Epitropos, G2012, 3x
1. degene die belast is met vlottende activa
2. (algemeen) een uitvoerend beheerder.
3. (arbeid) een uitvoerend manager (aan fiscale verantwoordelijkheid); (algemeen directeur).
4. (van kinderen) een uitvoerende voogd
5. (over persoonlijke zaken) een persoonlijke beheerder.
MattheŁs 20:8
Als het nu avond geworden was, zeide de heer des wijngaards, tot zijn rentmeester:
Roep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eersten.
Lukas 8:3
En Johanna, de huisvrouw van Chusas, den rentmeester van Herodes, en Susanna,
en vele anderen, die Hem dienden van haar goederen.
Galaten 4:2
Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader te voren gesteld.
Huparchonta, G5224, 14x
zaken die bestaan of in de hand zijn, (eigendom of bezittingen).
MattheŁs 19:21
Jezus zeide tot hem: Zo gij wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop wat gij hebt,
en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg Mij.
MattheŁs 24:47
Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem zal zetten over al zijn goederen.
MattheŁs 25:14
Want het is gelijk een mens, die buiten 's lands reizende, zijn dienstknechten riep,
en gaf hun zijn goederen over.
Lukas 8:3
En Johanna, de huisvrouw van Chusas, den rentmeester van Herodes,
en Susanna, en vele anderen, die Hem dienden van haar goederen.
Lukas 11:21
Wanneer een sterke gewapende zijn hof bewaart, zo is al wat hij heeft in vrede.
Lukas 12:15
En Hij zeide tot hen: Ziet toe en wacht u van de gierigheid;
want het is niet in den overvloed gelegen, dat iemand leeft uit zijn goederen.
Lukas 12:33
Verkoopt hetgeen gij hebt, en geeft aalmoes. Maakt uzelven buidels, die niet verouden, een schat, die niet afneemt, in de hemelen, daar de dief niet bijkomt, noch de mot verderft.
Lukas 12:44
Waarlijk, Ik zeg ulieden, dat hij hem over al zijn goederen zetten zal.
Lukas 14:33
Alzo dan een iegelijk van u, die niet verlaat alles, wat hij heeft, die kan Mijn discipel niet zijn.
Lukas 16:1
En Hij zeide ook tot Zijn discipelen: Er was een zeker rijk mens,
welke een rentmeester had; en deze werd bij hem verklaagd, als die zijn goederen doorbracht.
Lukas 19:8
En ZacheŁs stond, en zeide tot den Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik den armen;
en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder.
Lukas 19:26
Want ik zeg u, dat een iegelijk, die heeft, zal gegeven worden; maar van degene,
die niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft.
Handelingen 4:34
Want er was ook niemand onder hen, die gebrek had; want zovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, en brachten den prijs der verkochte goederen, en legden dien aan de voeten der apostelen.
1 KorinthiŽrs 13:3
En al ware het, dat ik al mijn goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en al ware het,
dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden,   
en had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven.
HebreeŽn 10:34
Want gij hebt ook over mijn banden medelijden gehad, en de roving uwer goederen met blijdschap aangenomen, wetende, dat gij hebt in uzelven een beter en blijvend goed in de hemelen. 
Huparxis, G5223, 2x
1. bestaan of eigendom
2. (concreet) bezit, rijkdom
Handelingen 2:45
En zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden dezelve aan allen, naar dat elk van node had.
HebreeŽn 10:34
Want gij hebt ook over mijn banden medelijden gehad, en de roving uwer goederen
met blijdschap aangenomen, wetende, dat gij hebt in uzelven een beter en blijvend goed in de hemelen.
Ktema, G2933, 4x
een verwerving, dwz land(goed).
MattheŁs 19:22; Marcus 10:22
Als nu de jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg; want hij had vele goederen.
Handelingen 2:45
En zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden dezelve aan allen, naar dat elk van node had.
Handelingen 5:1
En een zeker man, met name Ananias, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een have;
Agathos, G18, 101x = goed.
{in welke zin dan ook, vaak als zn} [een primair woord]
o.a. MattheŁs 5:45
Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen is;
want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
Lukas 1:53
Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig weggezonden.
Lukas 12:18-19
En hij zeide: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken, en grotere bouwen,
en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas,
en deze mijn goederen; en ik zal tot mijn ziel zeggen:
Ziel! gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust, eet, drink, wees vrolijk.
Galaten 6:6
En die onderwezen wordt in het Woord, dele mede van alle goederen dengene, die hem onderwijst.
HebreeŽn 9:11
Maar Christus, de Hogepriester van het der toekomende goederen, gekomen zijnde,
is door den meerderen en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel,
HebreeŽn 10:1
Want de wet, hebbende een schaduw van het der toekomende goederen, niet het beeld zelf der zaken,
kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren geduriglijk opofferen,
nimmermeer heiligen degenen, die daar toegaan.
3 Johannes 1:11
Geliefde, volgt het kwade niet na, maar het goede.
Die goed doet, is uit God; maar die kwaad doet, heeft God niet gezien.
Agathopoieo, G15, 10x = een goed doener zijn (als een gunst of een plicht).
Marcus 3:4
En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen,
een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil.
Lukas 6:9
Zo zeide dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen:
Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen,
een mens te behouden, of te verderven?
Lukas 6:33
En indien gij goed doet dengenen, die u goed doen, wat dank hebt gij?
Want ook de zondaars doen hetzelfde.
Luk 6:35
Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weder te hopen;
en uw loon zal groot zijn, en gij zult kinderen zonen des Allerhoogsten zijn;
want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen.
Handelingen 11:24
Want hij was een goed man, en vol des Heiligen Geestes en des geloofs;
en er werd een grote schare den Heere toegevoegd.
1 Petrus 2:15
Want alzo is het de wil van God, dat gij, weldoende,
den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze mensen;
1 Petrus 2:20
Want wat lof is het, indien gij verdraagt, als gij zondigt, en daarover geslagen wordt?
Maar indien gij verdraagt, als gij weldoet, en daarover lijdt, dat is genade bij God.
1 Petrus 3:6
Gelijk Sara aan Abraham gehoorzaam is geweest, hem noemende heer,
welker dochters gij geworden zijt, als gij weldoet, en niet vreest voor enige verschrikking.
1 Petrus 3:17
Want het is beter, dat gij, weldoende, (indien het de wil van God wil) lijdt, dan kwaad doende.
3 Johannes 1:11
Geliefde, volgt het kwade niet na, maar het goede. Die goed doet, is uit God;
maar die kwaad doet, heeft God niet gezien.