Getrouwe wetten, inzettingen en geboden, gegeven aan IsraŽl
de (huwelijks) beloftes van het volk +
het [tweede] verbonds, in het land van Moab,
boven het verbond, dat Hij met hen gemaakt had aan Horeb.
Nu dan, IsraŽl! wat eist de HEERE, uw God van u dan:   Deut. 10:12       (de wet pas op nr.5!)
  1. den HEERE, uw God, te vrezen,
  2. in al Zijn wegen te wandelen, en
  3. Hem lief te hebben, en   Wetboek en de 10 geboden
  4. den HEERE, uw God, te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.
  5. om te houden de geboden des HEEREN, en
  6. Ontleend van mitswotZijn inzettingen, die ik u heden gebiede, u ten goede!
Matt 23:23: het zwaarste der wet zijn; het oordeel, de barmhartigheid en het geloof.
Mark 12:29: het 1e van al de geboden is: Hoor, IsraŽl! de Heere, onze God, is een enig Heere.
Gal 3:12 de wet is niet uit het geloof;
  - maar de mens, die deze dingen doet, zal leven
Gal 3:24  de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus,
Gal 5:14 de gehele wet wordt in ťťn woord vervuld:
Gij zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven.
Luk 16:17 het is lichter, dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat ťťn tittel der wet valle.
Rom 7:12 de is wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed.
Hebr 10 de wet, hebbende een schaduw der toekomende goederen, ...
Jak 2:10 wie de gehele wet zal houden, en in ťťn zal struikelen,
die is schuldig geworden aan alle.
God
  1. Weet dat God bestaat. (Ex. 20:2; Deut. 5:6)
  2. Geloof niet dat er meer goden bestaan naast de Eeuwige Zelf. (Ex. 20:3, Lev.23:1, Ps.97:7)
  3. Vloek niet. (Ex. 22:27)boeken in de Tenach
  4. Ontheilig Gods Naam niet. (Lev. 18:21; 22:32)
  5. die smaadt den HEERE; zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volk; (Num.15:30)
  6. Weet dat ťťn God is,  1 complete Eenheid. (Deut. 6:4, 10:17)
  7. Heb God lief. (Deut. 6:5, 10:12, 30:6),  besnijdt dan de voorhuid uws harten!
  8. Vrees en eerbiedig God. (Deut. 6:13; 10:20) Bijbelboeken
  9. Beproef (verzoek) Gods Woord niet. (Deut. 6:16)
  10. Navolg Zijn goedheid en rechtvaardige wegen. (Deut. 28:9)

    wetten Thora (de 5 boeken van Mozes
  11. Eer de ouden en de wijzen. (Lev. 19:32)
  12. Leer de Thora en onderwijs de kinderen. (Deut. 6:7)
  13. Bestudeer de hele Thora met de kinderen om de 7 jaar (Sabbatsjaar). (Deut. 31:12)
  14. De koning zal 2x de Thora schrijven voor zichzelf. (Deut. 17:18)
  15. Verbind hen met elkaar die Hem kennen. (Deut. 10:20)
  16. Voeg niets aan de Thora toe en laat niet weg. (Deut. 4:2; 13:32; 17:12)
  17. Iedereen dient het van Mozes te kennen. (Deut. 31:19) (Openbaring 15:3)

    Tekenen en symbolen
  18. Iedere man dient besneden te worden. (Gen. 17:12; Lev. 12:3)
  19. Hang gedenkkwasten aan de hoeken van je kleding. (Num. 15:38)
  20. Vraag raad naar de wijze van de Urim en Thummim (Num. 27:21)
  21. Bind een gebedsriem om het hoofd. (Deut. 6:8)
  22. Bind een tefillin om de arm. (Ex.13:16; Deut. 6:8; Deut. 11:18; Spr. 3:3; Spr 7:2)  
  23. Hang een mezoeza op je deurposten en poorten van je huis. (Deut. 6:9)

    Gebeden en zegeningen
  24. Vrees en dien de HEERE, uw God. (Ex. 23:25; (machtige beloftes)
  25. Lees uw kinderen de geboden elke morgen en nacht. (Deut. 6:7)
  26. Loof de Heere na maaltijden. (Deut. 8:10)
  27. Leg geen steen neer voor aanbidding. (Lev. 26:1)

    Liefde en broederschap
  28. Gij zult niet begeren uws naasten huis;
    gij zult niet begeren uws naasten vrouw, (Romeinen 13:9)
    noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd,
    noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is. (Ex. 20:17, Deut. 5:21)
  29. Ontlast je buurman van zijn lasten en help hem zijn dieren te lossen. (Ex. 23:5)
  30. Kijk niet slechts toe wanneer iemand in gevaar verkeert, bied hulp aan. (Lev. 19:16)
  31. Strooi geen leugens rond. (Lev. 19:16)
  32. Wees niet haatdragend. (Lev. 19:17)
  33. Neem geen wraak. (Lev. 19:18)
  34. Gij zult ..... heb uw naaste lief.  (Lev. 19:18)
  35. Heb geen wroeging. (Lev. 19:18)
  36. Beschaam geen IsraŽliet. (Lev. 19:17)
  37. Vervloek geen andere IsraŽliet. (Lev. 19:14)
  38. Geef simpele zielen geen reden te struikelen. (Lev. 19:14)
  39. Berisp een zondaar. (Lev. 19:17)
  40. Roddel niet en strooi geen laster rond. (Lev. 25:17)
  41. Help met het verplaatsen van de lading op het dier van je buurman. (Deut. 22:4)
  42. Laat het niet zonder hulp liggen als het gevallen is door de zware last. (Deut. 22:4)

    wettenArmen, weduwen en de ongelukkige
  43. Beledig niet en laat een wees en een weduwe niet lijden. (Ex. 22:21)
  44. Oogst niet het hele land. (Lev. 19:9; Lev. 23:22)
  45. Laat een ongeoogste hoek op je land of boomgaard voor de armen. (Lev. 19:9)
  46. Verzamel niet de resten van de oogst die je hebt laten vallen. (Lev. 19:9)
  47. Laat de resten van de oogst voor de armen liggen. (Lev. 19:9)
  48. Verzamel niet de onvolmaakte trossen van de wijngaard. (Lev. 19:10)
  49. Laat de ol'loth van de wijngaard voor de armen liggen. (Lev. 19:10; Deut. 24:21)
  50. Verzamel niet de op de grond gevallen druiven. (Lev. 19:10)
  51. Laat een gevallen peret (de enkele druif) voor de armen liggen. (Lev.19:10)
  52. Onthoud niet wanneer je een arme man onderhoudt en geeft wat hij nodig is. (Deut.15:7)
  53. Geef een gemiddelde waarde m.b.t. weldadigheid. (Deut.15:11)
  54. Laat de vergeten schoven liggen. Dit geldt ook voor alle fruitbomen. (Deut.24:20)
  55. in het 3e en het 6e jaar voor de armen de 2e tienden apart. (Deut. 14:28-29, Deut. 26:12)

    Behandeling van de niet-Joden
  56. Heb de vreemdeling lief. (Deut.10:19)
  57. Buit de vreemdeling niet uit. (Ex.22:20)
  58. Leg de vreemdeling geen overlast op. (Ex.22:20)
  59. Eet niet met onbesnedenen (o.a. Ex. 34:15)
  60. Trouw niet met niet-Joden. (Deut.7:3)
  61. Vorder de schuld van een vreemdeling. (Deut.15:3)
  62. Leen een vreemdeling met rente (woekeren). (Deut.23:20)

    Huwelijk, scheiding en familie
  63. Wees vruchtbaar en vermenigvuldig jezelf. (Gen. 1:28)
  64. Eer je vader en moeder. (Ex.20:12), Eerbiedig (vrees) ze. (Lev.19:3)
  65. Sla geen vader of een moeder. (Ex.21:15)
  66. Houd geen voedsel, kleding en echtelijke rechten van een vrouw. (Ex.21:10)
  67. Vervloek geen vader of een moeder. (Ex.21:17)
  68. Wanneer een vrouw verdacht wordt van overspel gebruik de wet der ijveringen. (Num. 5:11)
  69. Een eunuch (gecastreerde) mag niet met de dochter van IsraŽl trouwen. (Deut.23:1)
  70. Met een onwettig kind mag je niet vergaderen/trouwen (Deut.23:2)
  71. Met een Ammoniet of een Moabiet ook niet. (Deut.23:3)
  72. Sluit een nazaat van Ezau voor 3 generaties uit de gemeenschap van IsraŽl. (Deut.23:8-9)
  73. Sluit een Egyptenaar voor 3 generaties uit het geslacht van IsraŽl. (Deut.23:8-9)
  74. Er zullen geen hoeren in IsraŽŽl zijn. (Deut.23:17)
  75. Neem een vrouw volgens de sacramenten van het huwelijk. (Deut.24:1)
  76. De getrouwde man mag 1 jaar vrij zijn om van zijn vrouw te kunnen genieten. (Deut.24:5)
  77. De bruidegom dient 1 jaar gemeenschappelijk arbeid te verrichten. (Deut.24:5) 
  78. Wie de eer van zijn vrouw aantast moet levens lang bij deze vrouw blijven. (Deut. 22:19)
  79. Scheiding mag alleen met officiŽle scheidingspapieren plaatsvinden. (Deut. 24:1)
  80. Een man mag niet met zijn ex hertrouwen, wanneer zij hertrouwd is. (Deut. 24:4)
  81. Wanneer kinderloze weduwe wordt, moet ze met haar zwager hertrouwen. (Deut. 25:5)
  82. Wanneer de zwager weigert, dient zij vrijgesteld worden deze wet. (Deut. 25:7-9)

    Verboden seksuele relaties en/of handelingen (Leviticus 18 en 20)
  83. Wek geen lust op bij familie wat tot incest kan leiden. (Lev.18:6)
  84. Geen coÔtus met je moeder. (Lev.18:7)
  85. Geen coÔtus met je vader. (Lev.18:7)
  86. Geen coÔtus met de vrouw van je vader. (Lev.18:8, 20:11, Deut.24:1, Deut.27:20)
  87. Geen coÔtus met je zuster. (Lev.18:9, 20:17Deut.27:21)
  88. Geen coÔtus met de dochter van de vrouw van je vader. (Lev.18:9)
  89. Geen coÔtus met de dochter van je zoon of dochter. (Lev.18:10)
  90. Geen coÔtus met de zuster van je vader of moeder. (Lev.18:12)
  91. Geen coÔtus met je vrouw en haar moeder. (Lev. 20:14)
  92. Geen coÔtus met de vrouw van de broer van je vader. (Lev.18:14)
  93. Geen coÔtus met de broer van je vader. (Lev.18:14)
  94. Geen coÔtus met de vrouw van je zoon. (Lev.18:15, 20:12)
  95. Geen coÔtus met de vrouw van je broeder. (Lev.18:16, 20:21)
  96. Geen coÔtus met de dochter van je vrouw. (Lev.18:17)
  97. Geen coÔtus met de dochter van de zoon van je vrouw. (Lev.18:17)
  98. Geen coÔtus met de dochter van de dochter van je vrouw. (Lev.18:17)
  99. Geen coÔtus met de zuster van je vrouw. (Lev.18:18)
  100. Geen coÔtus met je moei. (Lev.20:19) Ouders van Mozes en Ašron (Ex 6:19)
  101. Geen coÔtus met een vrouw wanneer zij menstrueert. (Lev.18:19, 20:18)
  102. Geen coÔtus met andermans vrouw. (Lev.18:20, 20:10Rom. 13:9)
  103. Geen coÔtus(als man) met een man. (Lev.18:22, 20:13, Rom.1:23)
  104. Geen coÔtus met een dier. (Lev.18:23, 20:16)
  105. Castreer geen mannetje van wat voor soort, geen man, een dier of gevogelte. (Lev.22:24)
  106. Er zal geen hoer en er zal geen schandjongen zijn onder de kinderen van IsraŽl (Deut. 23:17)

    Sabbat, Tijden, feesten en seizoenen
  107. Reis niet op de Sabbat buiten de grenzen van jouw woongebied. (Ex.16:29)
  108. Heilig de Sabbats, onderhoudt den sabbatdag, dat gij dien heiligt;
  109. Werk niet (rust) op de Sabbat. (Ex.20:10) (Lev.23:21)
  110. De viering van de nieuwe maand (Pascha) dient heilig verklaard te worden. (Ex.12:2)
  111. Reinig je huis van zuurdezem (Ex.12:15)
  112. Vier de verplichte feesten. (Ex.23:14)
  113. Geniet (verplicht!) van de feesten. (Deut.16:14)
  114. Kom op de heiligdommen (synagoge) van de feesten. (Deut.16:16)
  115. Werk niet (rust) op de 1e dag van Pesach. (Ex.12:16; Lev. 23:6-7)
  116. Werk niet (rust) op de 7e dag van Pesach. (Ex.12:16; Lev. 23:8)
  117. Eet ongezuurde broden op de eerste nacht van Pesach. (Ex.12:18)
  118. In bezit zijn van gist is tijdens de 7 dagen van Pesach verboden. (Ex.12:19)
  119. Eet tijdens Pesach geen voedsel wat gist bevat. (Ex.12:20, Ex.13:3)
  120. Geen gist mag tijdens Pesach in iemands huis te zien zijn. (Ex.13:7)
  121. Praat tijdens Pesach met je kinderen over de uittocht uit Egypte. (Ex.13:8)
  122. Eet geen gist in de middag van de 14e Nisan (maart/april). (Deut.16:3)
  123. Tel de 49 dagen tussen Pesach en Sjawoe'ot (Wekenfeest). (Lev.23:15)
  124. Werk niet (rust) op Rosj Hasjana. (Lev.23:25)
  125. Hoor het geluid van de sjofar (ramshoorn) tijdens Rosj Hasjana. (Num. 29:1)
  126. Vast (Eet of drink ) op Jom Kipoer (Grote Verzoendag). (Lev.23:27-29)
  127. Werk niet (rust) tijdens Jom Kipoer. (Lev. 23:31)
  128. Werk niet (rust) op de eerste dag van Soekot. (Lev.23:35)
  129. Werk niet op Sjemini Atzeret (Slotfeest). (Lev.23:36)
  130. Neem tijdens Soekot een palmtak (loelaw) met drie verschillende planten. (Lev.23:40)
  131. Bewoon zeven dagen van Soekot een loofhut. (Lev.23:42)

    Spijswetten
  132. Eet niet met onbesnedenen ( o.a. Exodus 34:15)
  133. Wees in staat te herkennen welk vee rein of onrein is. (Lev.11:2)
  134. Eet geen vlees van onreine dieren. (Lev.11:4)
  135. Wees in staat te herkennen welke vissen rein of onrein zijn. (Lev.11:9)
  136. Eet geen onreine vis. (Lev.11:11)
  137. Wees in staat te herkennen welk gevogelte rein of onrein is. (Deut.14:11)
  138. Eet geen onrein gevogelte. (Lev.11:13)
  139. Wees in staat te herkennen welke sprinkhanen rein of onrein zijn. (Lev.11:21)
  140. Eet geen worm die je tussen het fruit vindt. (Lev.11:41)
  141. Eet geen dieren die rondkruipen. (Lev.11:41-42)
  142. Eet geen ongedierte. (Lev.11:44)
  143. Eet geen gevleugelde insecten. (Deut.14:19)
  144. Eet niet het vlees van verscheurde dieren. (Ex.22:31)
  145. Eet niet het vlees van dieren die uit zichzelf zijn gestorven. (Deut.14:21)
  146. Slacht het vee, hert en gevogelte volgens de slachtvoorschriften. (Deut.12:21)
  147. Eet niet het verwijderde vlees van een levend dier. (Gen.9:4, Deut. 12:23)
  148. Slacht het jong en de ouder niet op dezelfde dag. (Lev.22:28)
  149. Neem geen moedervogel en het jong. (Deut.22:6) pak het jong (Deut.22:6-7)
  150. Eet niet het vlees van een gestenigde os. (Ex.21:28)
  151. Kook het vlees niet in de melk. (Ex.23:19, 34:26)
  152. Eet niet de spier of het bloedvat van een dij. (Gen. 32:32)
  153. Eet geen talgvet (diervet). (Lev.3:17, Lev.7:23)
  154. Eet geen bloed. (Gen.9:4, Lev.3:17,  Lev.7:26) Hand 15
  155. Bedek het bloed van de gejaagde dieren. (Lev.17:13)
  156. Eet en drink niet als een veelvraat of een dronkaard. ( Deut. 21:20)

    wettenZakelijke praktijken
  157. Handel eerlijk in koop en verkoop. (Lev.25:14)
  158. Je mag voor een lening aan een IsraŽliet geen rente vragen. (Lev.25:37)
  159. Koop niet met rente. Je geldschieter zou  kunnen zondigen. (Deut.23:20)
  160. Deel niet mee aan woekerpraktijken tussen de lener en de geldschieter (Ex.22:25)
  161. Leen aan arme mensen. (Ex.22:25; Deut. 15:8)
  162. Eis niet van een arme man dat hij de schuld aflost. (Ex.22:24)
  163. Neem geen onderpand waarmee men zich van eten had kunnen voorzien. (Deut.24:6)
  164. Neem niets in onderpand met geweld. (Deut.24:10)
  165. Neem niet in onderpand wanneer men het voorwerp hard nodig heeft. (Deut.24:12)
  166. Geef het verpande voorwerp weer aan de eigenaar terug. (Deut.24:13)
  167. Neem niets van een weduwe in onderpand. (Deut.24:17)
  168. Fraudeer niet tijdens het afwegen van iets. Lev. 19:35)
  169. Wees zeker dat jouw gewichten en weegschaal correct zijn. (Lev.19:36)
  170. Heb geen onnauwkeurige middelen en gewichten in bezit. (Deut.25:13-14)

    Werknemers, dienstknechten en slaven
  171. Heb geen vertraging met het uitbetalen van salarissen. (Lev.19:13)
  172. Het is toegestaan van de producten die hij/zij gemaaid heeft te eten. (Deut.23:25-26)
  173. men mag dan niet meer nemen dan hij/zij nodig heeft. (Deut.23:25)
  174. De arbeider mag niet van de producten eten die nog niet geoogst zijn. (Deut.23:26)
  175. Betaal het salaris van de werknemer in de betaalperiode. (Deut.24:15)
  176. Ga met een Hebreeuwse slaaf om in overeenstemming met de wet. (Ex.21:2-6)
  177. Dwing een Hebreeuwse dienstknecht niet het werk van een slaaf te doen (Lev. 25:39)
  178. Verkoop een Hebreeuwse dienstknecht niet als een slaaf. (Lev. 25:42)
  179. Ga eerlijk met je Hebreeuwse dienstknecht om. (Lev. 25:43)
  180. Sta niet toe dat een goj met zijn Hebreeuwse slaaf bruut omgaat. (Lev.25:53)
  181. Een gekochte Hebreeuwse slaaf zal 6 jaar voor werken. (Deut.15:12
  182. Stuur een vrijgestelde Hebreeuwse slaaf nooit met lege handen weg. (Deut.15:13)
  183. Wees vrijgevig wanneer de Hebreeuwse slaaf of slavin is vrijgesteld. (Deut.15:14)
  184. Koop een Hebreeuwse slavin vrij. (Ex.21:8)
  185. Verkoop de Hebreeuwse slavin niet door aan een ander. (Ex.21:8)
  186. Steun een Hebreeuwse slavin. (Ex.21:8-9)
  187. Behoud een KanaŽnitische slaaf voor altijd zonder wreedheid. (Lev.25:46)
  188. Lever geen slaaf uit aan de eigenaar, wanneer deze gevlucht is. (Deut.23:16)
  189. Doe zo'n slaaf geen onrecht aan. (Deut.23:17)
  190. Muilkorf het dier niet wanneer het werkt, zodat het kan eten. (Deut.25:4)

    Geloften, eden en zweren
  191. Iemand moet alles doen wat hij uitgesproken heeft. (Deut.23:23)
  192. Zweer niet onnodig. (Ex.20:7)
  193. Breek geen eed of zweer niet vals. (Lev.19:12)
  194. Gelofte door een vrouw kan door vader/man gebroken worden. (Num.30:2-17)
  195. Verbreek geen gelofte (man). (Num. 30:3) (Jakobus 5:12)
  196. Zweer alleen bij Zijn Naam. (Deut.10:20)
  197. Beter geen geloften, dan na te laten. (Deut.23:22)

    Vervloekten (Deut.27:15)
  198. Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld, een gruwel des HEEREN,
    een werk van 's werkmeesters handen, zal maken, en zetten in het verborgene!
  199. Vervloekt zij, die zijn vader of zijn moeder veracht!
  200. Vervloekt zij, die zijns naasten landpale verrukt!
  201. Vervloekt zij, die een blinde op den weg doet dolen!
  202. Vervloekt zij, die het recht van den vreemdeling, van den wees en van de weduwe buigt!
  203. Vervloekt zij, die bij de vrouw zijns vaders ligt, omdat hij zijns vaders slippe ontdekt heeft!
  204. Vervloekt zij, die bij enig beest ligt!
  205. Vervloekt zij, die bij zijn zuster ligt, de dochter zijns vaders of de dochter zijner moeder!
  206. Vervloekt zij, die bij zijn schoonmoeder ligt!
  207. Vervloekt zij, die zijn naaste in het verborgene verslaat!
  208. Vervloekt zij, die geschenk neemt, om een ziel, het bloed eens onschuldigen, te verslaan!
  209. Vervloekt zij, die de woorden dezer wet niet zal bevestigen, doende dezelve!

    De Sabbatjaren en de Jubeljaren
  210. Laat je land tijdens het Sjabbatjaar (om de 7 jaar) rusten. (Ex.23:11; Lev. 25:2)
  211. Tijdens het Sabbatjaar mag je jouw land niet bewerken. (Lev.25:2)
  212. Bezaai je grond tijdens het Sjabbatjaar niet. (Lev.25:4)
  213. Werk tijdens het Sjabbatjaar niet aan de bomen. (Lev.25:5)
  214. Het is dan niet toegestaan het alsnog gekomen oogst te oogsten. (Lev.25:5)
  215. Het is niet toegestaan fruit te oogsten. (Lev.25:5)
  216. Blaas de sjofar(bazuin) in het Sjabbatjaar. (Lev.25:9)
  217. Scheld in het 7e jaar de schuld kwijt aan mensen waaraan jij geleend hebt. (Deut.15:2)
  218. Eis geen uitgeleende zaken terug nadat het Sjabbatjaar voorbij is. (Deut.15:2)
  219. Schroom niet uit te lenen, omdat het jaar van de kwijtschelding in zicht is. (Deut.15:9)
  220. Verzamel de mensen zodat zij net voor het 7e jaar de hele Thora kunnen horen. (Deut.31:12)
  221. Tel de jaren van het Jubeljaar (Jobel; elke 50e jaar; dus om de 49 jaren).  (Lev.25:8)
  222. Beschouw het Jubeljaar als een heilig jaar door het land te laten rusten. (Deut.31:12)
  223. Tijdens het Jubeljaar mogen de bomen niet bemest of gewerkt worden. (Lev.25:11)
  224. Het is niet toegestaan de oogst die spontaan is opgekomen, te oogsten. (Lev.25:11)
  225. Er mag tijdens het Jubeljaar geen fruit van de bomen worden geoogst. (Lev.25:11)
  226. Geef vroegere grondbezitters het recht hun grond van jou terug te kopen. (Lev.25:24)

    wettenDe rechtbank en juridische procedures
  227. Wijs in iedere geslacht van IsraŽl rechters en verantwoordelijken aan. (Deut.16:18)
  228. die rechter heeft geen aanziens van personen. (Deut.1:17)
  229. ziel voor ziel, hand voor hand, voet voor voet.
    brand voor brand, wond voor wond, buil voor buil,
    breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand. (Ex 21:24-25; Lev.24:24)
  230. Beslis vrij over koop en verkoop. (Lev.25:14)
  231. Oordeel over wettelijke aansprakelijkheid van betaalde opslagruimte. (Ex.22:10)
  232. Beslis over zaken als, het verlies van het geleende voorwerp. (Ex.22:13-14)
  233. Beslis over zaken m.b.t. erfenissen. (Num.27:8-11)
  234. Oordeel over zaken als er sprake van schade is van een onbedekte kuil. (Ex.21:33-34)
  235. Oordeel over letsels veroorzaakt zijn door van dieren. (Ex.21:35-36)
  236. Beslis over schade door het betreden van vee op een verboden terrein. (Ex.22:5)
  237. Beslis over schade veroorzaakt door brand. (Ex.22:6)
  238. Beslis over schade ondanks de gratis opslagruimte. (Ex.22:7)
  239. Beslis over andere zaken tussen aanklager en een verdediger. (Ex.22:9)
  240. Vloek (laster) geen rechter (oversten). (Ex.22:28)   Hand 23:5
  241. Degene die over bewijs beschikt, moet getuigen tijdens een rechtszaak. (Lev.5:1)
  242. Leg geen valse getuigenis af. (Ex.20:16)
  243. Een getuige mag geen wettelijke regels voorschrijven m.b.t. deze zaak. (Num.35:30)
  244. Een misdadiger (goddeloze) mag niet getuigen. (Ex.23:1)
  245. De rechtbank mag de verklaring van een familie niet accepteren. (Deut.24:16)
  246. Verhoor geen verklaringen van de ene partij, zonder getuige. (Ex.23:1)
  247. Bestudeer de getuige grondig. (Deut.13:14)
  248. Beslis niet over zaak op grond van ŽŽn getuigenverklaring. (Deut.19:15)
  249. Geef geen beslissing volgens de meerderheid. (Ex.23:2)
  250. Behandel de partijen in de procedures gelijk en onpartijdig. (Lev.19:15)
  251. Je mag niet rechtspreken met zondige beslissingen. (Lev.19:15)
  252. Trek geen machtige mensen voor die een zaak proberen te maken. (Lev.19:15)
  253. Laat je niet omkopen. (Ex.23:8)
  254. Wees niet bang voor slechte mensen wanneer ze een zaak maken. (Deut.1:17)
  255. Verdraai niet het recht van vreemdelingen of wezen. (Deut.24:17)
  256. Verdraai niet het recht van een zondaar. (Ex.23:6)
  257. Spreek recht op grond van minimaal twee ooggetuigen. (Ex.23:7)
  258. Niemand mag ter dood worden gebracht zonder een eerlijke rechtszaak. (Num. 35:12)
  259. Erken het (Levitische) priesterdom (rechters). (Deut.17:11)
  260. Rebelleer niet tegen het (Levitische) priesterdom (rechters).   Hand 23:5 (Deut.17:12)

    Letsels en schade
  261. Maar indien er een dodelijk verderf zal zijn, zo zult gij geven ziel voor ziel,  (Ex 21:23)
    Oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet.
    Brand voor brand, wond voor wond, buil voor buil.
  262. Dek de kuil af als je hem opent. (Ex 21:33)
  263. Breng op het dakterras een hek aan. (Deut.22:8)

    Eigendom en eigendomsrecht
  264. Verkoop in IsraŽl nooit een land voor altijd. (Lev.25:23)
  265. verkoop niet de steden van de Levieten. (Lev.25:34)
  266. een verkocht huis kan 1 jaar na de verkoop terug kopen. (Lev.25:29)
  267. Verwijder geen grenspalen (omheining van een stuk eigendom). (Deut.19:14,  Deut.27:17)
  268. Zweer niet op een valse manier wanneer je iets ontkent. (Lev.19:12)
  269. Ontken niet op een oneerlijke wijze m.b.t iemands eigendomsrecht. (Lev.19:11)
  270. Vestig je nooit in Egypte. (Deut.17:16)
  271. Steel geen andermans eigendommen. (Lev.19:11)
  272. Breng gestolen goederen terug naar de eigenaar. (Lev.6:2)
  273. Breng verloren goederen terug naar de eigenaar. (Deut.22:1)
  274. Druk geen gevonden goederen achterover. (Deut.22:3)

    Strafrecht en schadeloosstelling
  275. Sla niemand dood. (Ex.20:13, Deut. 5:17, Rom. 13:9)
  276. Beroof niemand met geweld. (Lev.19:13)
  277. Bedrieg niet. (Lev.19:13)
  278. Laat andermans eigendom je niet misleiden. (Ex.20:14)
  279. Benijdt niet wat van een ander is. (Deut.5:21)
  280. De doodstraf  door middel van de brandstapel. (Lev.20:14)
  281. De doodstraf  door steniging. (Deut.22:24, 21:21)
  282. Het lichaam van de terechtgestelde dient openlijk gehangen te worden. (Deut.21:22)
  283. Het lichaam mag 's nachts niet blijven hangen. (Deut.21:23 Joh. 19:31)
  284. Het lichaam dient dezelfde dag te worden te begraven. (Deut.21:23)
  285. Accepteer geen losgeld van een moordenaar. (Num. 35:31)
  286. Verban degene die per ongeluk een moord heeft gepleegd. (doodslag) (Num. 35:25)
  287. Richt 6 steden als schuilplaats voor die per ongeluk gemoord hebben. (Num. 35:25)
  288. Bereid goede wegen naar deze steden (Deut.19:3)
  289. Breek de nek van het vaarskalf zoals het staat voorgeschreven. (Deut.21:4)
  290. Ploeg en bezaai het veld waar de nek van het kalf is gebroken niet. (Deut.21:4)
  291. Dood niemand bij het altaar. (Ex.21:14 )
  292. De dief dient soms te betalen met de doodstraf. (Ex.21:16;  Ex. 22:2)
  293. Degene die de lichamelijke letsel toedient, moet betalen. (Ex.21:18-19)
  294. Leg een straf op de verleider. (Ex.22:15-16)
  295. De verleider dient met haar te trouwen. (Deut.22:28-29)
  296. Degene die een jonge vrouw verkracht, dient met haar te trouwen. (Deut.22:29)
  297. Doe op de Sabbat geen werk (Ex.35:3)
  298. Gevaarlijke en boosaardige mensen dienen stokslagen te krijgen. (Deut.25:2)
  299. Overschrijd het aantal slagen niet. Bij twijfel, sla niemand. (Deut.25:3)
  300. Spaar de overtreder niet in de voorgeschreven straffen. (Deut.19:13)
  301. Geef de valse getuige dezelfde straf als de veroordeelde. (Deut.19:19)
  302. Bestraf niet degene die onder dwang een overtreding begaan heeft. (Deut.22:26)
  303. Wanneer mannen met elkaar vechten en de vrouw van de een naderbij komt om haar
    man te bevrijden uit de hand van degene die hem slaat, en zij haar hand uitsteekt en
    hem bij zijn geslachtsdelen grijpt, dan moet u haar hand afhakken.
    Laat uw oog haar niet ontzien! (Deut 25:11-12)

    ProfetieŽn, waarzeggerij, enz.
  304. Gij zult u niet keren tot de waarzeggers,
  305. Gij zult u niet keren tot de duivelskunstenaars (Lev 19:31)
  306. Verbod tegen waarzeggerij (Deut.18:14) 
    of zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan,
    die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar,
    of die op vogelgeschrei acht geeft,
    of tovenaar, die een dodenbezweerder of een waarzegger raadpleegt,
    of die bij de doden onderzoek doet.
    Schenk aandacht aan profetie in iedere generatie
  307. Geef geen valse profetieŽn. (Deut.18:20)
  308. Doodt de vlse profeet en vrees hem niet. (Deut.18:22, Deut.13)

    wettenAfgoderij, afgodendienaars en toepassing(en) van afgoderij
  309. Maak geen afbeelding van een afgod. (Ex.20:4; Deut. 27:15)
  310. Maak geen gestalte, noch versiering, ook al worden ze niet aanbeden. (Ex.20:23)
  311. Maak geen afgoden, ook al is het niet voor jezelf. (Ex.34:17; Lev. 19:4)
  312. Maak geen gebruik van sieringen of object die bedoeld zijn voor afgoderij. (Deut.7:25)
  313. Maak geen gebruik van een afgod of accessoires, offeranden of plengingen. (Deut.7:26)
  314. Drink niet de wijn van afgodendienaars. (Deut.32:38)
  315. Aanbid geen afgod zoals het oorspronkelijk verafgood wordt. (Ex.20:5)
  316. Buig niet voor een afgod, ook al is het niet bedoeld om deze te verafgoden. (Ex.20:5)
  317. Profeteer niet in de naam van een afgod. (Ex.23:13; Deut. 18:20)
  318. Luister niet naar degene die namens een afgod profeteert. (Deut.13:4)
  319. Breng de kinderen van IsraŽl niet op een dwaalspoor tot afgoderij. (Ex.23:13)
  320. Verleid geen IsraŽliet tot afgoderij. (Deut.13:12)
  321. Vernietig afgoden en de attributen. (Deut.12:2-3)
  322. Houd niet van de verleider van afgoderij. (Deut.13:9)
  323. Spaar de verleider niet en breng hem ter dood. (Deut.13:9)
  324. Wek geen interesse voor afgoderij. (Lev.19:4)
  325. Neem geen houding van afgodendienaars aan, noch gewoonten. (Lev.18:3; Lev. 20:23)
  326. Laat geen kind door het vuur van Molech wandelen. (Lev.18:21)
  327. Gij zult op geen vogelgeschrei acht geven   (Lev.19:26)
  328. Laat geen mensen leven die aan toverpraktijken doen. (Ex.22:18)
  329. Doe niet aan wichelarij doen en u mag geen wolken duiden.  (Lev.19:26)
  330. Vraag geen geesten om raad. (Lev.19:31)
  331. Vraag geen raad aan tovenaars. (Lev.19:31)
  332. niet voor de zon, de maan, de sterren, des hemels ganse heir (Deut 4:19)
  333. Maak geen gebruik van occulte objecten. (Deut.18:10)
  334. Praktiseer geen magie. (Deut.18:10)
  335. Praktiseer geen betoveringen over slangen en schorpioenen. (Deut.18:11)
  336. Informeer niet naar een geest. (Deut.18:11)
  337. Zoek geen contact met de doden. (Deut.18:11)
  338. Informeer niet naar een tovenaar. (Deut.18:11)
  339. Haal niet je gehele baard af, zoals de afgodendienaars. (Lev.19:27)
  340. Scheer de rand van je hoofdhaar, zoals de priesters van afgoden, niet af. (Lev.19:27)
  341. Snijd niet in jezelf uit verdriet, zoals de afgodendienaars. (Lev.19:28; Deut. 14:1)
  342. TatoeŽer jezelf niet, zoals afgodendienaars dat doen. (Lev.19:28)
  343. Maak geen kale plek ter ere van een dode. (Deut.14:1)
  344. Plant geen bomen voor aanbidding. (Deut.16:21)
  345. Zet geen paal op voor aanbidding. (Deut.16:22)
  346. Sluit geen vriendschap met afgodendienaars. (Deut.7:2)
  347. Sluit geen verbond af met de 7 afgodische, KanaŽnitische landen. (Ex.23:32; Deut. 7:2)
  348. Laat geen afgodendienaars in ons land vestigen. (Ex.23:33)
  349. Dood bewoners van afgodisch steden zijn geworden en verbrand de stad. (Deut.13:16)
  350. Herbouw nooit een stad die eens verleid was door afgoderij. (Deut.13:16)
  351. Maak geen gebruik van het bezit van de stad die verleid werd in afgoderij. (Deut.13:17)

    Landbouw en het houden van dieren
  352. Kruis het vee niet met andere soorten dieren. (Lev.19:19)
  353. Zaai geen verschillende zaden in ŽŽn veld. (Lev.19:19)
  354. Eet na het planten van een boom de eerste 3 jaar daar geen fruit van. (Lev.19:23)
  355. Het fruit is het 4e jaar heilig tot lof, het 5e jaar om te eten. (Lev.19:24)
  356. 6 jaren zult gij uw akker bezaaien uw wijngaard besnijden, 7e zal voor het land sabbatrust zijn
  357. Gij zult uw wijngaard niet met tweeŽrlei bezaaien; . (Deut.22:9)
  358. Eet geen andere gewassen uit de wijngaard. (Deut.22:9)
  359. Laat geen verschillende dieren onder ŽŽn juk samenwerken. (Deut.22:10)
  360. Een os zult gij niet muilbanden, als hij dorst.. (Deut.25:4)

    Kleding
  361. De priester moeten een onderbroek aan bij bedienen van het altaar.
  362. Hang gedenkkwasten aan de hoeken van je kleding. (Num. 15:38)
  363. Een man mag geen vrouwenkleding dragen. (Deut.22:5)
  364. Een vrouw mag geen mannenkleding dragen. (Deut.22:5)
  365. Draag geen kleren die zowel van wol als van linnen gemaakt zijn. (Deut.22:11)

    Eerstgeborene
  366. Koop de eerstgeboren man altijd vrij. (Ex.13:12; Ex. 34:20; Num. 18:15)
  367. Koop de eersteling van een ezel vrij. (Ex. 13:13; Ex. 34:20)
  368. zo niet, breek het nek van de eersteling van een ezel. (Ex. 13:13; Ex. 34:20)
  369. Koop de eersteling van een onrein dier vrij, het reine is des Heeren. (Num. 18:17)
  370. Het recht van de eerstgeborene  (Deut.21:15-17)

    (Hoge) Priesters en Levieten
  371. De priesters moeten voor hun bediening priesterlijke gewaden dragen. (Ex. 28:2)
  372. De priester moeten een onderbroek aan bij bedienen van het altaar.
  373. Je mag het gewaad van de Hogepriester nooit verscheuren. (Ex. 28:32)
  374. De priester mag niet altijd het Heiligdom betreden. (Lev. 16:2)
  375. Een priester mag geen lijk aanraken, tenzij het naaste verwanten zijn. (Lev. 21:1-3)
  376. Wanneer de priester zich wast, mag hij na zonsondergang weer het heilige eten. (Lev. 22:6)
  377. Een priester mag niet een gescheiden vrouw, prostituee of een onteerde vrouw trouwen. (Lev. 21:7)
  378. Eer de priester en geef hem voorrang in alle dingen die heilig zijn. (Lev. 21:8)
  379. Als een dochter van een priester hoereert, moet ze verbrand worden. (Lev. 21:9)
  380. De hogepriester mag geen lijk aanraken, ook al zijn het naaste verwanten. (Lev. 21:11)
  381. Een hogepriester mag niet onder 1 dak verkeren waar een lijk ligt. (Lev. 21:11)
  382. Een hogepriester moet met een maagd trouwen. (Lev. 21:13,15)
  383. Een hogepriester mag niet met een weduwe trouwen. (Lev. 21:14)
  384. Iemand (uit Ašron) met een gebrek mag niet in het Heiligdom dienen of offeren. (Lev. 21:17)
  385. priesters met een tijdelijk gebrek mag tijdelijk niet in het Heiligdom. (Lev. 21:21)
  386. Een onreine priester mag niet in het Heiligdom dienen. (Lev. 22:2-3)
  387. De priester zal IsraŽl zegenen. (Num. 6:23)
  388. De Levieten mogen zich enkel met hun taken bezighouden. (Num. 18:3)
  389. Mensen die niet van AŽron zijn, mogen niet dienen in het Heiligdom. (Num. 18:4-7)
  390. De Levieten zullen in het Heiligdom dienen. (Num. 18:23)
  391. Geef de Levieten 6 steden om erin te wonen, dienen ook als schuilplaats. (Num. 35:2)
  392. Niemand uit de stam van Levi zal en mag een deel van IsraŽl (land) ontvangen. (Deut. 18:1)
  393. Enkel de priesteren, Ašrons zonen, die geheiligd zijn, mogen roken; in het heiligdom (2 Kron 26:18)

    Tienden en belasting,  als er geofferd werd!
  394. Een onbesneden persoon mag niet van de offergaven eten. (Ex. 12:44-45 en Lev. 23:10)
  395. Iemand met een gebrek mag niet in het Heiligdom dienen of offeren. (Lev. 21:17)
  396. verander niets aan de volgorde van de gescheiden offers en tienden. (Ex. 22:28)
  397. Geef een halve sjekel per jaar als bijdrage voor het Heiligdom. (Ex. 30:13)
  398. Geef een ram aan de priester wanneer je onwetend verkeerd gegeten hebt. (Lev 5:16)
  399. Een onreine priester mag niet van de offeranden eten. (Lev. 22:3-4)
  400. vreemden, vrouw en dochter van de priester mogen niets van offeranden. (Lev. 22:10)
  401. Gasten van de priester of zijn bedienden mogen niet van de offeranden eten. (Lev. 22:10)
  402. Eet niet van de offeranden en tienden die nog niet gescheiden zijn. (Lev. 22:15)
  403. Zet een tiende van wat je produceert apart. (Lev. 27:30; Num. 18:24)
  404. Bij het tellen van je vee, dien je een tiende apart te zetten. (Lev. 27:32)
  405. Je mag van de tienden niets verkopen. (Lev. 27:32-33)
  406. 1 tiende van de tienden, zijn voor de priesters. (Num. 18:26)
  407. wettenVerlaat de Levieten niet. (Deut. 12:19)
  408. Zet de tweede tienden apart, 2e, 4e en 5e jaar van de Sabbatcyclus. (Deut. 14:22)
  409. in het 3e en het 6e jaar voor de armen de 2e tienden apart. (Deut. 14:28-29, Deut. 26:12)
  410. Geef de priester het verschuldigde deel van de karkassen van het vee. (Deut. 18:3)
  411. Geef het eerste vacht aan de priester. (Deut. 18:4)
  412. Zet een kleine deel van je graan, wijn en olie voor de priester apart. (Deut. 18:4)
  413. Gij zult geen hoerenloon of hondenprijs in het huis des HEEREN, uws Gods, brengen (Deut. 23:18)
  414. Geef niets van je eetbare producten van de tweede tienden uit (Deut. 26:14)
  415. Eet niet van de tweede tienden wanneer je rouwt om een gestorvene. (Deut. 26:14)
  416. Maak een verklaring wanneer de 2e tienden naar het Heiligdom brengt. (Deut. 26:13)

    De Tempel, het Heiligdom en de Heilige voorwerpen
  417. Bouw geen altaren van bewerkte steen. (Ex. 20:25)
  418. Ga niet op altaren met trappen. (Ex.20:26) zonder onderbroek
  419. Dood niemand bij het altaar . (Ex.21:14 )
  420. Voorschriften bouw van het Heiligdom. (Ex. 25:8) voorbeeld van het hemelse
  421. Verwijderd de (draag)stokken niet van de Heilige Ark. (Ex. 25:15)
  422. Zet voor de Sabbat de offerbroden en het wierook voor de Here klaar. (Ex. 25:30)
  423. Steek de kandelaren in het Heiligdom aan. (Ex. 27:21).
  424. De borstplaat mag niet van de efod  losraken. (Ex. 28:28)
  425. Offer twee keer per dag voor het voorhang wierook. (Ex. 30:7)
  426. Offer geen vreemde geuren of offers op het reukaltaar. (Ex. 30:9)
  427. De priester moet zijn handen en voeten wassen voor zijn bediening. (Ex. 30:19)
  428. Maak het zalfolie klaar en zalf daarmee de Hogepriesters en koningen. (Ex. 30:31)
  429. Vermeng deze zalfolie, met de speciale formule, niet voor normaal gebruik. (Ex. 30:32)
  430. Zalf geen vreemdeling met deze zalfolie. (Ex. 30:32)
  431. Vermeng geen andere ingrediŽnten (Ex. 30:37)
  432. Die fouten maakt in heilige zaken, zal een boete van 20% betalen. (Lev. 5:16)
  433. Haal de as van het altaar af. (Lev. 6:10)
  434. Het vuur op het altaar van het brandoffer moet altijd branden. (Lev. 6:12)
  435. Blus het vuur op het altaar niet. (Lev. 6:12)
  436. De priester mag niet blootshoofd het Heiligdom betreden. (Lev. 10:6)
  437. De priester mag niet met verscheurde kleding het Heiligdom betreden. (Lev. 10:6)
  438. Tijdens de dienst mag de priester het Heiligdom niet verlaten. (Lev. 10:7)
  439. Een dronkaard mag het Heiligdom niet betreden. (Lev. 10:9-11)
  440. Vereer het Heiligdom (Lev. 19:30) (tegenwoordig heeft dit betrekking op de synagogen).
  441. de Ark moet op de schouders van Levieten (Kohath) gedragen worden. (Num. 7:9)
  442. Voer de tweede Pesach een maand later uit. (Num. 9:11)
  443. Eet dan het Paaslam met ongezuurde broden en bittere kruiden. (Num. 9:11)
  444. De volgende morgen mag er niets van het vlees van het paaslam over zijn. (Num. 9:12)
  445. Breek op de tweede Pesach niet een bot van het paaslam. (Num. 9:12)
  446. Blaas trompetten tijdens het offeren in tijden van gevaar. (Num. 10:9-10)
  447. Bewaak continu het gebouw (van het Heiligdom). (Num. 18:2)
  448. Laat niet toe dat het Heiligdom onbewaakt achterblijft. (Num. 18:5)
  449. Vernietig altaren en beelden van degene waarvan gij het land zult erven. (Deut. 12:2-4)
  450. Enkel de priesteren, Ašrons zonen, die geheiligd zijn, mogen roken; in het heiligdom (2 Kron 26:18)

    Opofferingen en offers, als er geofferd werd! (niet geŽist)
  451. Biedt de eerstelingen van de reine dieren aan en offer ze. (Lev. 27:26; Deut. 15:19)
  452. Slacht een volkomen Paaslam. (Ex. 12:5).
  453. Eet het vlees van het Paasoffer in de nacht van de 14e dag van 1e de maand. (Ex. 12:8)
  454. Eet geen rauw of gekookt vlees van het Paaslam. (Ex. 12:9)
  455. Laat de volgende morgen niets van het vlees van het Paaslam over. (Ex. 12:10)
  456. Geef geen vlees van het Paaslam aan een verraderlijke/afvallige IsraŽliet. (Ex. 12:43)
  457. Geef geen vlees van het Paaslam aan een vreemdeling die onder jullie leeft. (Ex. 12:45)
  458. Neem het Paaslam binnen. (Ex. 12:46)
  459. Breek geen been van het Paaslam. (Ex. 12:46)
  460. Een onbesneden man mag niet van het Paaslam eten. (Ex. 12:48)
  461. Slacht geen Paaslam wanneer er een zuurdeeg in huis is. (Ex. 23:18; Ex. 24:25)
  462. Laat de volgende morgen geen resten van het Paaslam over. (Ex. 23:18; Ex. 24:25)
  463. Kom niet naar het Heiligdom om een feest te vieren zonder een offer. (Ex. 23:15)
  464. Breng de 1e oogst naar het Heiligdom. (Ex. 23:19)wetten
  465. Het vlees van het schuld- en zondoffer moet gegeten worden. (Ex. 29:33)
  466. Een vreemdeling mag niet van het vlees van de heilige offeranden eten. (Ex. 29:33)
  467. Ga de procedure voor het brandoffer nauwkeurig na. (Lev. 1:3)
  468. Ga de procedure van het spijsoffer nauwkeurig na. (Lev. 2:1)
  469. Offer niet met honing of desemen (gist). (Lev. 2:11)
  470. Ieder offer dient gezouten te worden. (Lev. 2:13; Num. 18:19; Mark. 9:4)
  471. Wanneer het Gerechtshof m.b.t. de JustitiŽle verklaring in gebreke is (Lev. 4:13)
  472. Wanneer een persoon gezondigd heeft, een zondoffer. (Lev. 4:27-28)
  473. Offer een offer naar de maatstaven iemand kan opbrengen. (Lev. 5:7)
  474. Je mag het hoofdje van een vogel, als zondoffer, niet van zijn lijfje scheiden. (Lev. 5:8)
  475. Sprenkel geen olijfolie op het zondoffer dat uit meel bereid is. (Lev. 5:11)
  476. Leg geen wierook bij het zondoffer, dat uit meel bereid is, neer. (Lev. 5:11)
  477. Een persoon onwetend gezondigd heeft; een zondoffer aan bieden. (Lev. 5:17-19)
  478. De resten van het meeloffer dient opgegeten te worden. (Lev. 6:16)
  479. De resten van het meeloffer mag niet gegist worden. (Lev. 6:10)
  480. De Hogepriester zal dagelijks een meeloffer brengen. (Lev. 6:12)
  481. Eet niet van het spijsoffer dat voor de priesters gebracht is. (Lev. 6:16)
  482. Ga de procedure voor het offeren na. (Lev. 6:18)
  483. Eet niet het vlees dat als zondoffer dient (Lev. 6:30)
  484. Ga de procedure voor het schuldoffer na (Lev. 7:1)
  485. Ga de procedure voor het dankoffer na. (Lev. 7:11)
  486. Verband na 3 dagen het resterende het vlees van het heilige offer. (Lev. 7:17)
  487. Je mag niet van die resten eten. De straf is uitsluiting.(Lev.7:18),
  488. Eet niet van heilige zaken dat onrein is geworden. (Lev. 7:19)
  489. Verbrand het vlees van het heilige offer dat onrein is geworden. (Lev. 7:19)
  490. Een onrein persoon mag niet van heilige zaken eten. (Lev. 7:20)
  491. Ontheiligde dochter van priester mag niet van heilige zaken eten, of offeren, (Lev. 22:12)
  492. Een pas bevallen vrouw zal pas offeren wanneer ze weer rein is. (Lev. 12:6)
  493. Een lepralijder (melaatse) zal pas offeren wanneer hij/zij gewassen is. (Lev. 14:10)
  494. Wanneer een man aan een kwaal lijdt, zal pas offeren als hij is gewassen. (Lev. 15:13-15)
  495. Wanneer een vrouw ook...  (Lev. 15:28-30)
  496. Allen op Jom Kipoer (Grote Verzoendag) in het Heiligdom (Lev. 16:3-34)
  497. Eet niet van het offer vlees dat na het tijdstip van het eten nog over is. (Lev. 19:8)
  498. Iemand met een gebrek mag niet in het Heiligdom dienen of offeren. (Lev. 21:17)
  499. Offer op het altaar geen dier met een gebrek (Lev.22:20; Deut. 17:1)
  500. Offer geen dieren die afkomstig zijn van de heidenen. (Lev. 22:25)
  501. offeren mag alleen plaatsvinden wanneer het dier min. 8 dagen oud is. (Lev. 22:27)
  502. Laat geen vlees van het dankoffer tot de volgende morgen op het altaar. (Lev. 22:30)
  503. Offer het maaloffer van de Omer en een lam 1 dag na Pesach. (Lev. 23:10)
  504. Breng de broden samen met de rest van de offers voor het Wekenfeest (Lev. 23:17-20)
  505. Breng een extra offer met Pesach. (Lev. 23:36)
  506. Wanneer iemand een gelofte  aflegt, naar zijn schatting betaald worden (Lev. 27:2-8)
  507. Wissel niet een apart gezet dier voor het offer met een ander dier. (Lev. 27:10)
  508. Wanneer het een onrein dier  is, zal hij de waarde betalen. (Lev. 27:11-13)
  509. hetzelfde meen een huis, de priester zal de waarde bepalen. (Lev. 27:11-14)
  510. Verkoop geen veld dat opgedragen is aan de Heere. (Lev. 27:28)
  511. Koop geen veld los dat toegewijd is aan de Heere. (Lev. 27:28)
  512. Beken ten overstaande van de Heere iedere zonde die je gepleegd hebt (Num. 5:6-7)
  513. Wanneer een vrouw verdacht wordt van overspel...(Num. 5:15)
  514. Leg daar ook geen wierook bij. (Num. 5:15)
  515. Breng het dagelijkse brandoffer van 2 lammeren. (Num. 28:3)
  516. Breng iedere sabbat een extra offer van 2 lammeren. (Num. 28:9)
  517. Breng iedere nieuwe maand een extra offer (Num. 28:11)
  518. Breng een extra offer met Sjavoeot. (Num. 28:26-27)
  519. Breng een extra offer met Rosj Hasjana. (Num. 29:1-6)
  520. Breng een extra offer met Jom Kipoer. (Num. 29:7-8)
  521. Breng een extra offer met Soekot. (Num. 29:12-34)
  522. Breng een extra offer om met de Heere te verzoenen (het Slotfeest). (Num. 29:35-38)
  523. Breng op het eerste feest alle offers, vrijwillig of verplicht (Deut. 12:5-6)
  524. Offer niet buiten het Heiligdom. (Deut. 12:13)
  525. Offer alle offers in het Heiligdom op. (Deut. 12:14)
  526. Buiten de poorten mag de gebrekloze eersteling niet gegeten worden. (Deut. 12:17)
  527. wettenEet geen vlees van het brandoffer. (Deut.12:17)
  528. Werk niet met de voor het offer apart gezette dieren. (Deut. 15:19)
  529. Scheer het vacht van de dieren die apart gezet zijn voor het offer niet af. (Deut. 15:19)
  530. Je mag vanaf Pesach tot de derde dag geen portie van het offer achterlaten. (Deut. 16:4)
  531. Offer geen dieren met een (tijdelijk) gebrek. (Deut. 17:1)
  532. Breng geen geldelijke offers die men verdiend heeft door te hoereren. (Deut. 23:19)
  533. Lees tijdens het brengen van de eerstelingen de verklaring van Deut.26:5-1

    Reinheid en onreinheid
  534. Het contact met de acht kruipende dieren verontreinigt ons. (Lev. 11:29-30)
  535. Eten dat in contact is gekomen met onreine zaken, is verontreinigd. (Lev. 11:34)
  536. wat het karkas van een dier aanraakt wat uit zichzelf gestorven is, is onrein. (Lev. 11:39)
  537. Een vrouw op haar kraambed is even onrein als een menstruerende vrouw. (Lev. 12:2-3)
  538. Een vrouw is 40 dagen onrein na geboorte van een zoon (Lev. 12:4)
  539. Een vrouw is 80 dagen onrein na geboorte van een dochter (Lev. 12:5)
  540. Een lepralijder is onrein en verontreinigd. (Lev. 13:2-46)
  541. Een lepralijder dient herkenbaar te zijn volgens de voorschriften. (Lev. 13:45)
  542. Een kledingstuk van de lepralijder is onrein en verontreinigd. (Lev. 13:47-49)
  543. Het huis van een lepralijder is verontreinigd. (Lev. 14:34-46)
  544. Een man met geslachtsontstekingen is verontreinigd. (Lev. 15:2-15)
  545. Het na zaad van coÔtus is men onrein. (Lev. 15:16)
  546. Alle zuiveringen van onreinheid moeten gaan door onderdompeling. (Lev. 15:16)
  547. Een menstruerende vrouw is onrein en verontreinigt anderen. (Lev. 15:19-24)
  548. Een vrouw met geslachtsontstekingen is verontreinigd. (Lev. 15:25-27)
  549. Draag de rite van het Vaarskalf uit. (ontzondigen) (Num. 19:9)
  550. Een lijk verontreinigt 7 dagen. (Num. 19:11-16)

    Lepra en lepralijders
  551. Verwijder in eerste instantie (tijdens het onderzoek) niet al het hoofdhaar. (Lev. 13:33)
  552. Dat de procedure van het reinigen van de lepralijder. (Lev. 14:1-7)
  553. De lepralijder moet al zijn haar scheren. (Lev. 14:9)
  554. Je mag aan de wonden van de lepra niet plukken. (Deut. 24:8)

    De koning
  555. Vervloek geen regeerder, koning of het hoofd van het Raad van IsraŽl. (Ex. 22:27)
  556. Wanneer gij net als andere volken wilt, stel een koning uit uw volk aan. (Deut. 17:15)
  557. De koning zal niet overdreven veel paarden krijgen. (Deut. 17:16)
  558. De koning zal niet overdreven veel vrouwen nemen. (Deut. 17:17)
  559. De koning mag niet een overdreven hoeveelheid goud of zilver opsparen. (Deut. 17:17)
  560. De koning zal 2x de Thora schrijven voor zichzelf. (Deut. 17:18)
  561. Dat boek zal zijn hele leven nabij de koning zijn om naar te handelen (Deut. 17:19)
  562. De koning zal uw zonen nemen, dat hij hen zich stelle tot zijn wagen (1 Sam 8:11)
    zal uw dochteren zal hij nemen tot apothekeressen (1 Sam 8:13)
    zal uw beste akkers, wijngaarden en olijfgaarden nemen (1 Sam 8:14)
    zal uw zaad en wijngaarden zal hij vertienen en aan zijn knechten geven (8:15)
    zal uw beste knechten, jongelingen en uw ezelen nemen (1 Sam 8:16)
    zal uw kudden vertienen en gij zult hem tot knechten zijn (1 Sam 8:17)

    NazireeŽr / ingewijden
  563. Een nazireeŽr drinkt geen wijn. (Num. 6:3)
  564. Hij zal geen verse druiven eten. (Num. 6:3)
  565. Hij zal geen gedroogde druiven (krentjes) eten. (Num. 6:3)
  566. Hij zal niet van de kern van de druiven eten. (Num. 6:4)
  567. Hij zal niet van de velletjes van de druif eten. (Num. 6:4)
  568. Een NazireeŽr krijgt de toestemming zijn haar te laten groeien. (Num. 6:5)
  569. Een NazireeŽr mag zijn haar niet afknippen. (Num. 6:5)
  570. Hij zal niet in de buurt komen van een lijk komen. (Num. 6:6)
  571. Zelfs niet bij familie. (Num. 6:7)
  572. Een NazireeŽr zal zijn haar scheren wanneer hij offert. (Num. 6:9) (Hand. 18:18; 21:23)

    Oorlogen
  573. in oorlog hoeft men niet bang te zijn voor zijn vijanden. (Deut. 3:22, 7:21, 20:3)
  574. laat voor aanvang, de priester u toespreken:
    - die een nieuw huis heeft gebouwd, en het niet heeft ingewijd;
    - die een wijngaard geplant heeft, en deszelfs vrucht niet heeft genoten;
    - die een vrouw ondertrouwd heeft, en haar niet tot zich heeft genomen;
    - die vreesachtig en week van hart is?
    Die ga henen en kere weder naar zijn huis (Deut. 20:2)
  575. Biedt voor de strijd eerst de vrede aan
    - zo ja; dan zal al het volk, u cijnsbaar zijn, en u dienen.
    - zo nee; zo zult gij haar belegeren. (Deut. 20:10)
  576. Laat niets en niemand van de zeven KanaŽnitische landen levend. (Deut. 20:16)
  577. verban de zeven KanaŽnitische naties uit het land van IsraŽl. (Deut. 20:17)
  578. Vernietig geen vruchtdragende bomen in oorlogstijd of uit baldadigheid. (Deut. 20:19)
  579. het geboomte, welk gij kent, geen spijze brengt, dat zult gij verderven en afhouwen. (Deut. 20:19-20)
  580. als je een mooie vrouw gevangen neemt, houd je aan de voorschriften. (Deut. 21:11-14)
  581. Verkoop of verneder deze vrouw niet tot een slavin. (Deut. 21:14)
  582. Heb geen afkeer tegen de Edomiet en Egyptenaar. (Deut. 23:7)
  583. Een ieder die onrein is, mag het kamp van de Levieten niet betreden. (Deut. 23:10)
  584. CreŽer een plek buiten het kamp voor sanitaire doeleinden. (Deut. 23:13)
  585. Houd die plek hygiŽnisch (Deut. 23:14-15)
  586. Onthoud wat Amalek gedaan heeft. (Deut. 25:17)
  587. Vernietig het zaad van Amalek. (Deut. 25:19)

Indien gij der stem des HEEREN, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen,
waarnemende te doen al Zijn geboden, die ik u heden gebiede,
zo zal de HEERE, uw God, u hoog zetten boven alle volken der aarde.
En wanneer ze wel opgevolgd worden, beloofd:  (aardse) zegeningen
  1. zo zal Hij uw brood en uw water zegenen    (Exodus 23:25)
  2. Ik zal de krankheden uit het midden van u weren.
  3. Er zal geen misdrachtige, noch onvruchtbare in uw land zijn
  4. Ik zal het getal uwer dagen vervullen.
  5. Ik zal Mijn schrik voor uw aangezicht zenden, en al het volk, tot hetwelk gij komt, versaagd maken
  6. Ik zal maken, dat al uw vijanden u den nek toekeren
  7. Ik zal ook horzelen voor uw aangezicht zenden; die zullen van voor uw aangezicht de volken uitstoten
  8. Ik zal hen in een jaar van uw aangezicht niet uitstoten, opdat het land niet woest worde, en het wild gedierte boven u niet vermenigvuldigd worde.
  9. Ik zal hen allengskens van uw aangezicht uitstoten, totdat gij gewassen zijt en het land erft.
  10. Ik zal uw landpalen zetten van de zee Suf tot aan de zee der Filistijnen, van de woestijn tot aan de rivier
  11. Zo zal Ik uw regens geven op hun tijd; en het land zal zijn inkomst geven, (Leviticus 26:4)
  12. het geboomte des velds zal zijn vrucht geven;
  13. de dorstijd zal u reiken tot den wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot den zaaitijd
  14. gij zult uw brood eten tot verzadiging toe
  15. gij zult zeker in uw land wonen.
  16. zal Ik vrede geven in het land, dat gij zult te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikt
  17. Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden
  18. het zwaard zal door uw land niet doorgaan
  19. gij zult uw vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen
  20. Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen
  21. uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen
  22. Ik zal Mij tot u wenden, en zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen
  23. Mijn verbond zal Ik met u bevestigen
  24. gij zult het oude, dat verouderd is, eten; en het oude zult gij vanwege het nieuwe uitbrengen
  25. Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet walgen
  26. Ik zal in het midden van u wandelen,
               en zal u tot een God zijn, en gij zult Mij tot ťťn volk zijn.
Deut 8:19: En al deze zegeningen zullen over u komen, en u aantreffen,
wanneer gij der stem des HEEREN uws Gods,  zult gehoorzaam zijn.
En gij niet afwijken zult van al de woorden, die ik ulieden heden gebiede,
ter rechter hand of ter linkerhand, dat gij andere goden nawandelt, om hen te dienen.
 
  1. Gezegend zult gij zijn in de stad, en gezegend zult gij zijn in het veld. (Deuterononium 28:1)
  2. Gezegend zal zijn de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, en de vrucht uwer beesten, de voortzetting uwer koeien, en de kudden van uw klein vee.
  3. Gezegend zal zijn uw korf, en uw baktrog.
  4. Gezegend zult gij zijn in uw ingaan, gezegend zult gij zijn in uw uitgaan.
  5. De HEERE zal geven uw vijanden, die tegen u opstaan, geslagen voor uw aangezicht; door een weg zullen zij tot u uittrekken, maar door zeven wegen zullen zij voor uw aangezicht vlieden.
  6. De HEERE zal den zegen gebieden, dat Hij met u zij in uw schuren, en in alles, waaraan gij uw hand slaat; en Hij zal u zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.
  7. De HEERE zal u Zichzelven tot een heilig volk bevestigen, gelijk als Hij u gezworen heeft, wanneer gij de geboden des HEEREN, uws Gods, zult houden, en in Zijn wegen wandelen.
  8. En alle volken der aarde zullen zien, dat de Naam des HEEREN over u genoemd is, en zij zullen voor u vrezen.
  9. En de HEERE zal u doen overvloeien aan goed, in de vrucht uws buiks, en in de vrucht uwer beesten, en in de vrucht uws lands; op het land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft u te zullen geven.
  10. De HEERE zal u opendoen Zijn goeden schat, den hemel, om aan uw land regen te geven te zijner tijd, en om te zegenen al het werk uwer hand; en gij zult aan vele volken lenen, maar gij zult niet ontlenen.
  11. En de HEERE zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart, en gij zult alleenlijk boven zijn, en niet onder zijn; wanneer gij horen zult naar de geboden des HEEREN, uws Gods, die ik u heden gebiede te houden en te doen;
En wanneer ze niet opgevolgd worden, of zelfs van walgt, de toorn de Heeren!

 
(Deut. 28:15) Daarentegen zal het geschieden, indien gij de stem des HEEREN, uws Gods,
niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen,
dat gij doet al Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede;
zo zullen al deze vloeken over u komen, en u treffen.
  1. Ik over u stellen zal verschrikking, tering en koorts, die de ogen verteren en de ziel pijnigen;
  2. gij zult ook uw zaad te vergeefs zaaien, en uw vijanden zullen dat opeten,
  3. Ik zal Mijn aangezicht tegen u keren, zodat u door uw vijanden verslagen wordt.
  4. Zij die u haten, zullen over u heersen.
  5. U zult op de vlucht slaan, terwijl niemand u achtervolgt. (Leviticus 26:14)
  6. Vervloekt zult u zijn in de stad en
  7. vervloekt zult u zijn op het veld,
  8. vervloekt zal zijn uw korf en uw baktrog.
  9. vervloekt zal zijn
    de vrucht uws buiks, en
    de vrucht uws lands,
    de voortzetting uwer koeien, en
    de kudden van uw klein vee,
  10. vervloekt zult u zijn bij uw thuiskomen, en
  11. vervloekt zult u zijn bij uw weggaan.
  12. En gij zult eten de vrucht uws buiks, het vlees uwer zonen en uwer dochteren,
    die u de HEERE, uw God, gegeven zal hebben;
    in de belegering en
    in de benauwing, waarmede uw vijanden u zullen benauwen
  13. Vervloekt zult gij zijn in de stad, en vervloekt zult gij zijn in het veld.
  14. Vervloekt zal zijn uw korf, en uw baktrog.

    De HEERE zal onder u zenden den vloek,
  15. de verstoring en het verderf, in alles, waaraan gij uw hand slaat,
    dat gij doen zult;
    totdat gij verdelgd wordt, en
    totdat gij haastelijk omkomt, vanwege de boosheid uwer werken,
    waarmede gij Mij verlaten hebt.
  16. De HEERE zal u de pestilentie doen aankleven,
    totdat Hij u verdoe van het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven.
  17. De HEERE zal u slaan
    met tering, en
    met koorts, en
    met vurigheid, en
    met hitte, en
    met droogte, en
    met brandkoren, en
    met honigdauw, die u vervolgen zullen, totdat gij omkomt.
  18. En uw hemel, die boven uw hoofd is, zal koper zijn,
    en de aarde, die onder u is, zal ijzer zijn.
  19. De HEERE, uw God, zal pulver en stof tot regen uws lands geven;
    van den hemel zal het op u nederdalen,
    totdat gij verdelgd wordt.
  20. De HEERE zal u geslagen geven voor het aangezicht uwer vijanden;
    door een weg zult gij tot hem uittrekken, en
    door zeven wegen zult gij voor zijn aangezicht vlieden; en
    gij zult van alle koninkrijken der aarde beroerd worden.
  21. En uw dood lichaam zal
    aan alle gevogelte des hemels, en
    aan de beesten der aarde tot spijze zijn; en
    niemand zal ze afschrikken.
  22. De HEERE zal u slaan met zweren van Egypte, en
    met spenen, en
    met droge schurft, en
    met krauwsel, waarvan gij niet zult kunnen genezen worden.
  23. De HEERE zal u slaan met
    onzinnigheid, en
    met blindheid, en
    met verbaasdheid des harten;
    dat gij op den middag zult omtasten,
    gelijk als een blinde omtast in het donkere, en
    uw wegen niet zult voorspoedig maken;
    maar gij zult alleenlijk verdrukt en beroofd zijn alle dagen,
    en er zal geen verlosser zijn.
  24. Gij zult
    een vrouw ondertrouwen, maar een ander zal haar beslapen;
    een huis zult gij bouwen, maar daarin niet wonen;
    een wijngaard zult gij planten, maar dien niet gemeen maken.
    uw os zal voor uw ogen geslacht worden, maar gij zult daarvan niet eten;
    uw ezel zal van voor uw aangezicht geroofd worden, en tot u niet wederkeren;
    uw klein vee zal aan uw vijanden gegeven worden, en voor u zal geen verlosser zijn.
    uw zonen en uw dochteren zullen aan een ander volk gegeven worden,
    dat het uw ogen aanzien, en naar hen bezwijken den gansen dag;
    maar het zal in het vermogen uwer hand niet zijn.
    de vrucht van uw land en al uw arbeid zal een volk eten, dat gij niet gekend hebt; en
  25. gij zult alle dagen alleenlijk verdrukt en gepletterd zijn. en
  26. gij zult onzinnig zijn, vanwege het gezicht uwer ogen, dat gij zien zult.
  27. De HEERE zal u slaan met
    boze zweren, aan de knieŽn en aan de benen,
    waarvan gij niet zult kunnen genezen worden, van uw voetzool af tot aan uw schedel.
  28. De HEERE zal u, mitsgaders uw koning, dien gij over u zult gesteld hebben,
    doen gaan tot een volk, dat gij niet gekend hebt,
    noch uw vaderen; en aldaar zult gij dienen andere goden, hout en steen.
  29. En gij zult zijn
    tot een schrik,
    tot een spreekwoord en
    tot een spotrede, onder al de volken, waarheen u de HEERE leiden zal.
  30. Gij zult veel zaads op den akker uitbrengen, maar gij zult weinig inzamelen;
    want de sprinkhaan zal het verteren.
  31. Wijngaarden zult gij planten, en bouwen, maar gij zult geen wijn drinken, noch iets vergaderen;
    want de worm zal het afeten.
  32. Olijfbomen zult gij hebben in al uw landpalen, maar gij zult u met olie niet zalven;
    want uw olijfboom zal zijn vrucht afwerpen.
  33. Zonen en dochteren zult gij gewinnen, maar zij zullen voor u niet zijn;
    want zij zullen in gevangenis gaan.
  34. Al uw geboomte, en de vrucht uws lands zal het boos gewormte erfelijk bezitten
  35. De vreemdeling, die in het midden van u is,
    zal hoog, hoog boven u opklimmen; en
    gij zult laag, laag nederdalen.
  36. Hij zal u lenen,
    maar gij zult hem niet lenen;
  37. hij zal tot een hoofd zijn, en
    gij zult tot een staart zijn. En
    al deze vloeken zullen over
    u komen, en
    u vervolgen, en
    u treffen, totdat gij verdelgd wordt;
    omdat gij der stem des HEEREN, uws Gods, niet gehoorzaam zult geweest zijn,
    om te houden Zijn geboden en Zijn inzettingen, die Hij u geboden heeft. En
    zij zullen onder u
    tot een teken, en
    tot een wonder zijn, ja, onder uw zaad tot in eeuwigheid.
    omdat gij den HEERE, uw God,
    niet gediend zult hebben met vrolijkheid en goedheid des harten,
    vanwege de veelheid van alles;
  38. Zo zult gij uw vijanden, die de HEERE onder u zenden zal,
    dienen,
    in honger en
    in dorst, en
    in naaktheid, en
    in gebrek van alles; en
    Hij zal een ijzeren juk op uw hals leggen, totdat Hij u verdelge.
  39. De HEERE zal tegen u
    een volk verheffen van verre, van het einde der aarde,
    gelijk als een arend vliegt; een volk, welks spraak gij niet zult verstaan;
    een volk, stijf van aangezicht,
    dat het aangezicht des ouden niet zal aannemen,
    noch den jonge genadig zijn.
  40. En het zal de vrucht uwer beesten, en de vrucht uws lands opeten,
    totdat gij verdelgd zult zijn;
    hetwelk u geen koren, most noch olie,
    voortzetting uwer koeien noch kudden van uw klein vee zal overig laten,
    totdat Hij u verdoe.
  41. En het zal u beangstigen in al uw poorten, totdat uw hoge en vaste muren nedervallen,
    op welke gij vertrouwdet in uw ganse land; ja,
    het zal u beangstigen in al uw poorten,
    in uw ganse land, dat u de HEERE, uw God, gegeven heeft.
  42. En gij zult eten de vrucht uws buiks, het vlees uwer zonen en uwer dochteren,
    die u de HEERE, uw God, gegeven zal hebben;
    in de belegering en
    in de benauwing, waarmede uw vijanden u zullen benauwen
  43. Aangaande den man, die teder onder u, en die zeer wellustig geweest is,
    zijn oog zal kwaad zijn
    tegen zijn broeder, en
    tegen de huisvrouw zijns schoots, en
    tegen zijn overige zonen, die hij overgehouden zal hebben;
  44. Dat hij niet aan een van die zal geven van het vlees zijner zonen, die hij eten zal,
    omdat hij voor zich niets heeft overgehouden;
    in de belegering en
    in de benauwing, waarmede uw vijand u in al uw poorten zal benauwen.
  45. Aangaande de tedere en wellustige vrouw onder u,
    die niet verzocht heeft haar voetzool op de aarde te zetten,
    omdat zij zich wellustig en teder hield;
    haar oog zal kwaad zijn
    tegen den man haars schoots, en
    tegen haar zoon, en
    tegen haar dochter; En
    dat om haar nageboorte, die van tussen haar voeten uitgegaan zal zijn, en
    om haar zonen, die zij gebaard zal hebben;
    want zij zal hen eten in het verborgene,
    vermits gebrek van alles; in de belegering en in de benauwing,
    waarmede uw vijand u zal benauwen in uw poorten.
    Indien gij niet zult waarnemen te doen al de woorden dezer wet,
    die in dit boek geschreven zijn,
    om te vrezen dezen heerlijken en vreselijken Naam, den HEERE, uw God;
  46. Zo zal de HEERE uw plagen wonderlijk maken, mitsgaders de plagen van uw zaad;
    het zullen grote en gewisse plagen, en boze en gewisse krankten zijn.
  47. En Hij zal op u doen keren alle kwalen van Egypte,
    voor dewelke gij gevreesd hebt, en zij zullen u aanhangen.
  48. Ook alle krankte, en alle plage, die in het boek dezer wet niet geschreven is,
    zal de HEERE over u doen komen, totdat gij verdelgd wordt.
  49. En gij zult met weinige mensen overgelaten worden,
    in plaats dat gij geweest zijt als de sterren des hemels in menigte;
    omdat gij der stem des HEEREN, uws Gods, niet gehoorzaam geweest zijt.
  50. En het zal geschieden, gelijk als de HEERE Zich over ulieden verblijdde,
    u goed doende en
    u vermenigvuldigende,
    alzo zal Zich de HEERE over u verblijden,
    u verdoende en
    u verdelgende; en
    gij zult uitgerukt worden uit het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven.
  51. En de HEERE zal u verstrooien onder alle volken,
    van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde;
    en aldaar zult gij andere goden dienen, die gij niet gekend hebt, noch uw vaders, hout en steen.
  52. Daartoe zult gij onder dezelve volken niet stil zijn, en uw voetzool zal geen rust hebben;
    want de HEERE zal u aldaar een bevend hart geven, en bezwijking der ogen, en mattigheid der ziel.
  53. En uw leven zal tegenover u hangen; en
    gij zult nacht en dag schrikken, en
    gij zult van uw leven niet zeker zijn.
  54. Des morgens zult gij zeggen: Och, dat het avond ware; en
    des avonds zult gij zeggen: Och, dat het morgen ware; vermits den schrik uws harten,
    waarmede gij zult verschrikt zijn, en vermits het gezicht uwer ogen, dat gij zien zult.
  55. En de HEERE zal u naar Egypte doen wederkeren in schepen,
    door een weg, waarvan ik u gezegd heb: Gij zult dien niet meer zien; en aldaar zult gij u aan uw vijanden willen verkopen tot dienstknechten en tot dienstmaagden; maar er zal geen koper zijn.